Nieuws

Category Archive Nieuws

En toen stak ze haar hand uit

Ik ben een brave jongen, maar wel eentje met gezond verstand. Regels volg ik keurig op, tenzij het echt nergens op slaat. Dus heb ik op enig moment iemand uit de risicogroep… Nou ja, dat komt later.

Eerst de vrijdagavond. Naar de film. La Vérité met mijn lief, in Rialto waar vijftien stelletjes verspreid in de zaal zaten. Wat hadden we te doen met het oudere paar dat als laatste binnenkwam en helemaal vooraan moest zitten met zoveel lege stoelen achter zich. Omdat wij hand in hand achteraan zaten, mochten we de zaal als eerste verlaten.

Het was nog licht na de vroege avondvoorstelling. Drankje doen? Iets te fris voor een terras. Pech bij diverse etablissementen waar alle tafeltjes bezet waren. Zonder reservering maar met een glimlach dan maar binnenschuifelen bij een volkskroeg waar de kastelein ons aan het hoekje van de bar liet staan. Niet verder vertellen, okay?

Een overweldigende ervaring, na ruim drie maanden vertier in eigen huis en ontspanning op afstand in het park. De muziek stond (te) hard, mensen spraken (te) luid. Het bier smaakte goed, maar ik bleef met grote ogen om me heen kijken. Ik was simpelweg vergeten hoe het was. Echt op mijn gemak voelde ik me (nog) niet.

Zeker toen een vaste klant met veel omhaal binnenviel. De grapjurk gaf elke klant een elleboog en omhelsde vervolgens de kastelein. Ik voelde me wat ongemakkelijk worden. Maar het bier smaakte goed. Andere bezoekers verlieten hun tafeltje, vlak achter ons ontstond een reünie. Oude tijden herleefden in het nieuwe normaal.

Nog maar even niet. We slenterden door een leeg Sarphatipark. Stilte, natuur, stadgenoten in hun eigen bubbeltje. Dat voelde vertrouwd.

Waar maakte ik me eigenlijk druk om? In maart heb ik nota bene corona gehad, bevestigde een test op antistoffen in mijn bloed eerder in de week. Goed nieuws, dus als brave jongen hoef ik er alleen maar voor te zorgen dat ik mijn handen was, afstand hou en bij voorkeur geen al te drukke plekken opzoek. Het biertje was er nu nog eentje te veel.

Deze herwonnen vrijheid in het uitgaansleven gaf me zaterdagmiddag een licht schuldgevoel op weg naar mijn moeder. Ze is 88 jaar, kerngezond en zit sinds half maart opgesloten in haar verzorgingshuis Sint Jozefoord in Nuland. Niets dan lof voor de zorgvuldigheid en toewijding van het personeel. Maar mijn hemel, wat is het zwaar voor haar.

We belden elke dag. Begin mei opende het Praathuys waar we twintig minuten konden kletsen met plexiglas als beschermende tussenlaag. Nu mag één vaste bezoeker twee keer per week een uurtje op bezoek. Dat ben ik. De regels volg ik braaf. Handen ontsmetten, mondkapje voor en anderhalve meter afstand. Gemakkelijk te doen voor ons gezond verstand.

Deze zaterdag was ik er voor de vierde keer. We gingen een ommetje maken in de bosrijke tuin. Even frisse lucht, een vrij gevoel ondanks het onverbiddelijke hek waar alleen ik en niet zij doorheen mag. Op een bankje genoten we even van de gezamenlijke stilte. Het uur was om. Ik sprong op, zij ook, iets te snel. Ze wankelde. En toen stak ze haar hand uit.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Verlies op verlies, en toch bleef Marc de Hond lachen

Ik hoorde over zijn dood en moest van schrik even gaan zitten. Zelf zou Marc de Hond onmiddellijk het volgende grapje hebben gemaakt: ‘Ik zou bij het nieuws van mijn eigen dood liever zijn gaan staan. Maar ja, die rolstoel, hè.’

Marc de Hond in gesprek met Sylvana Simons tijdens zijn theatertour Voortschrijdend inzicht (Hoorn, januari 2020)

Oneerbiedig? Ja. Maar Marc had vast iets veel en veel grappigers bedacht, gevolgd door een stilte om te kijken of de ongemakkelijke humor aansloeg. Als ik aan Marc denk, moet ik lachen. Hij had een geweldige humor. Ook met de dood wist hij wel raad.

‘De beste grappen hoor ik op begrafenissen’, kopte ik boven het gesprek dat ik met Marc voerde voor ons boek Als de man verliest. ‘Humor ten koste van jezelf werkt geweldig en dan ook nog eens vanuit het jodendom, helemaal om met nare dingen om te gaan. Dat zat in mijn opa en oma. Opa vertelde mopjes, maar oma was echt grappig. Dat zagen we tijdens de honderd dagen die zij nog leefde nadat haar man was overleden.’

In het boek, dat ik samen met Wim van Lent schreef, gaat het over verlies en de manier waarop mannen daar (anders dan vrouwen) mee omgaan. De stapel tegenslag was groot in de 42 jaar dat Marc de Hond heeft geleefd. Hij verloor zijn moeder op 3-jarige leeftijd, kwam door een dwarslaesie in een rolstoel, en raakte internet-miljoenen kwijt.

Het grootste verlies in zijn ogen was de vechtscheiding van zijn vader Maurice en zijn tweede moeder, en de vroege dood van zijn halfbroertje. In 2018 kreeg hij blaaskanker. ‘Mensen zeggen, blijf positief want dat ben je’, vertelde hij me. ‘Dat klopt, maar de begraafplaats ligt vol met positieve mensen. Ik ben dus ook realistisch.’

Vanuit dat realisme ging hij de afgelopen tijd in een versnelling. De theatertour werd een veelzijdig marathon-interview waarin hij over het leven sprak. Hij trouwde met Remona, moeder van hun kleine kinderen Livia en James. Elke aflevering werd opgenomen. Een tastbare nalatenschap, want van zijn eigen moeder Jasmin die dertig jaar oud werd, kon hij zich weinig herinneren.

Marc de Hond met Falko Zandstra en moderator Roland Koopman bij de boekpresentatie van Als de man verliest

‘Ik weet niet meer hoe zij als moeder voor mij was’, vertelt Marc in Als de man verliest. ‘Dat is te lang geleden. Dat zij is gestorven, vond ik vooral zielig voor haar, niet per se voor mij. Er is een bandopname, waarop me wordt verteld dat mama weg zou gaan. Dan vraag ik, kan ik niet met haar mee? Nee, dat kan niet. Op mijn dertiende heb ik dat teruggeluisterd en toen vond ik het vooral verdrietig voor haar. Niet voor mij.’

Als man, die als kind zijn vader verloor en later zijn partner, heb ik grenzeloze bewondering voor de manier waarop Marc de Hond met alle tegenslag is omgegaan en vol in het leven heeft gestaan (of gezeten). Respect ook voor de manier waarop hij zijn wortels eerde. Livia’s tweede naam is Jasmin, naar zijn moeder. James’ tweede naam is Lion, naar zijn overleden broertje.

Marc zelf is vernoemd naar de broer van zijn opa, die voor de oorlog was getrouwd met zijn oma. Mark de Hond stierf in Auschwitz, net als de eerste vrouw van opa Sam. ‘Een grote familie, allemaal dood. Mijn opa en oma zijn vrijwel alleen teruggekomen en met elkaar verder gegaan. Het feit dat zij geen verbitterde, maar juist optimistische en warme mensen waren, is het grote voorbeeld geweest in mijn leven.’

Tijdens ons gesprek belde vader Maurice een paar keer. Telkens werd hij weggedrukt. ‘Hij belt de hele dag door.’ Ook dat is nu verloren. Wrange troost wellicht, maar toch, de laatste woorden van Marc voor Maurice: ‘Ik zie de humor in mijn vader. De beste grappen heb ik gehoord op begrafenissen. Niks is bijzonderder dan met mijn vader en broertje in een volgauto te zitten. Dan kun je echt lachen.’

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Weg wil ik, vooral weg van mezelf

Ik keek omhoog en zag het ding. The plane! The plane! Alsof het een buitenaards verschijnsel was, terwijl ik onder de rook van Schiphol woon. Nou ja, rook. De lucht is blauw, geen streep te bekennen. Het zeldzame vliegtuig maakte me sentimenteel.

Het was zo’n typisch corona-momentje. Een kleine gebeurtenis die je heel vluchtig met de neus op de feiten drukt. Het besef dat we in een uitzonderlijke tijd leven, die ooit wel weer als voltooid verleden tijd in de geschiedenisboekjes zal verdwijnen. Voorlopig hinkelen we door het leven, op anderhalve meter afstand.

Een greep uit de nieuwe alledaagsheid. Kletsen met de buurvrouw op twee uiteinden van een bankje op het plein, allebei met onze eigen thee. Facetimen met mijn oude moeder en blijven lachen als de verbinding er door haperende wifi elke dertig seconden uitklapt. Vriendelijk lachen naar onbekenden. Klusjes bedenken, en niet doen. Ontploffen om niets.

Het vliegtuig dat op pakweg anderhalve kilometer hoogte mijn aandacht trok, maakte me sentimenteel omdat ik me realiseerde dat er van verre reizen dit jaar niks meer terecht zal komen. Begin deze maand kreeg ik voor mijn verjaardag een wereldkaart waarop ik met vlaggetjes kan aanduiden welke landen ik allemaal heb bezocht. Het zijn er veel.

In een oogopslag kan ik zien waar ik nog naartoe wil. Zuid-Amerika is maagdelijk wit, en in Azië voorzie ik ooit een mooie rondreis. Australië staat hoog op het verlanglijstje. China tot voor kort ook, maar er zijn steeds meer redenen te bedenken om dat land op een zwarte lijst te zetten. Amerika ken ik van haver tot gort, nu zou ik er niet willen zijn. Zelfs en vooral niet in mijn geliefde New York City.

Lekker weg in eigen land, later deze zomer. Ik heb me ermee verzoend, maar eigenlijk wil ik dat niet. Niet omdat er geen mooie plekjes te vinden. Nee, ik wil niet op vakantie in Nederland omdat er zoveel Nederlanders zijn die zich allemaal wijs gaan maken dat het best fijn is om eens een keertje binnen de landsgrenzen te blijven. Die wil ik helemaal niet tegenkomen.

Ik wil weg. Heel ver weg. Naar een land waar je geen kaaskop op anderhalve kilometer herkent. Waar je je vreemd voelt, beetje angstig misschien omdat je wordt aangestaard. Ik wil me onderdompelen in een onbekende cultuur, met raar eten dat hartstikke lekker smaakt. Ik wil vooral weg, ver weg van mezelf. Want ik ben mezelf behoorlijk beu.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

De rode vod voor een Parool-vriend

Dobbel is een van zijn bijnamen. RobDob, Roberto, Robbel Dobbel. Ik durf Rob een vriend te noemen, ook al heb ik hem nooit ontmoet. Samen met twintig oud-collega’s van Het Parool juichen we voor hem in de laatste kilometer van zijn leven.

Wat is er gebeurd? Begin februari kreeg ik een mail van Henk. Of ik zin had in een reünie met voormalige sportverslaggevers van Het Parool. Jazeker! De leukste krant waar ik ooit voor gewerkt heb, van 1989 tot medio 1992. Ik voelde me meteen weer het Brabandertje dat aan de Wibautstraat leerde een grote bek op te zetten.

Dat was nodig, om je staande te houden op de sportredactie van de Amsterdamse verzetskrant van weleer. Keihard werken, altijd in het weekend en maandagochtend vol trots de sportkrant van de deurmat plukken. Ik leerde er schrijven, buffelen, lachen (en heimelijk huilen). Een reünie met deze legendarische club? Fuck yeah!

Het liep wat anders. De samenkomst werd begin april afgeblazen. Te veel oudjes bijeen voor een kroketje en sterke verhalen waren een iets te makkelijke snack voor het oprukkende virus. Dus gingen we vrolijk en veilig verder met het delen van herinneringen in een WhatsApp-groep, waar vooral de bejaarde oud-collega’s van voor mijn tijd het hoogste woord begonnen te voeren.

Een beetje opa vertelt, maar dan in het anabolen-kwadraat. Geruchten en roddels, primeurs en diepgravende journalistiek, ziedende Ajax-voorzitters en wielerploegleiders, schrijfmachines die naar verslaggevers werden gesmeten, het behendig omzeilen van dopingcontroles, maar vooral getuigenissen van de kameraadschap. De collegiale vriendschap is tijdloos. Het is een dierbare verrijking in mijn quarantaine-leven.

Velen van ons hebben elkaar al jaren niet gezien. Soms op boekpresentaties, want menig gepensioneerd sportverslaggever blijft schrijven over de Tour van toen of de renner van ooit. Er zitten twee, misschien drie vrouwen in de appgroep. Die houden zich gedeisd, want de mannetjes maken de meeste herrie. Toch kijken wie het verst kan pissen, op hogere leeftijd is dat een fikse klus.

Dagelijks stuurt Henk een herinnering die een collega heeft opgeschreven. Daar komen dan de meest kolderieke reacties op, correcties soms ook omdat het geheugen steken laat vallen. Als de verzameling verhalen tijdelijk is opgedroogd, volgt een foto van een historische krantenkop. Dat brengt de jongens weer aan de gang. Weet je nog…

‘Het Parool verslaat alles’, luidt een trefzekere reclameslogan van lang geleden. Cees heeft ‘m bedacht. Ajacieden Wim Kieft en Frank Rijkaard gingen met de krant op de foto. Het kostte de krant kennelijk niet meer dan een habbekrats, want het zusje van Wim werkte bij het Parool in de kantine. Ze had ook even wat met Rijkaard. Vandaar. Goed verhaal.

Dat ellendige virus verlengt onze digitale reünie. Soms denk ik stiekem, laat een fysieke ontmoeting maar zitten. Dit is ook hartstikke leuk. Tot Henk afgelopen week een linkje plaatste naar een interview met Dobbel op de website van wielermagazine De Muur:

The life and times van Dobbel door Joost Prinsen

Hierin vertelt Rob van den Dobbelsteen over zijn roemrijke loopbaan als wielerverslaggever. Vijf keer versloeg hij de Tour de France voor Het Parool, maar zijn leven was veel meer dan je met een notitieblokje verdringen rond een hijgende renner. Geweldige belevenissen en bijna ongelofelijke avonturen van een begenadigd journalist. Mijn advies is: Léés die Muur!

Vaak moest ik schateren, maar soms viel ik stil. Dan tekende Prinsen een citaat op van Dobbel dat over zijn vorderende leeftijd en sputterende lichaam ging. Dat hij darmkanker heeft en niet lang meer heeft te leven. Dat zijn vrouw in een verzorgingshuis woont en dementeert. Dobbel vertelt het allemaal met een lach. De traan is gereserveerd voor ons, de lezers.

In de appgroep van oud-collega’s heeft hij het er zelf niet over. Sinds vorige week verblijft hij in een hospice, werd tussen neus en lippen meegedeeld. Herinneringen blijft Dobbel zelf met een moordend tempo delen, als een oude vriend die weet dat de man met de hamer door het raam loert. En er schijt aan heeft. De rode vod is nu gepasseerd. (Iemand zou appen, wie wist dat de ‘flamme rouge’ voor het eerst in 1906 in de Tour werd gebruikt?)

Net als vroeger stoempt Dobbel door in de laatste kilometer van een prachtig leven. Wij loodsen hem digitaal naar de meet door te blijven putten uit ons sportarchief. Op eigen kracht zal hij over de eindstreep fietsen, en pas dan laten wij hem gaan. Een andere groep oud-collega’s, niet langer onder ons, zal zich over Dobbel ontfermen. Wij blijven verhalen vertellen, over Dobbel en over al die andere Parool-kanjers. Vrienden voor het leven. Vrij en onverveerd.

(Update: Rob van den Dobbelsteen is maandag 20 april in Schoorl overleden.)

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Weet je nog, die allerlaatste handdruk?

Het was een zaterdagmiddag, heel lang geleden, en ik was blij om Joris te zien. Hij moest effe nadenken. Komt door mijn baard. De herkenning, onmiddellijk gevolgd door een ferme handdruk. Daarna de schrik in ons beider ogen. Oh shit, dit mag niet meer.

Een foutje, zoals Rutte na zijn persconferentie met de RIVM-man enkele dagen eerder. De premier deed het per ongeluk, of misschien wel expres vanwege het effect. Joris en ik deden het in ieder geval per abuis. We moesten nog wennen aan de nieuwe verordeningen voor lichamelijk contact. Anderhalve meter konden we nog niet automatisch inschatten.

Vanochtend kwam ik langs de plek van die allerlaatste handdruk. Dat is 25 dagen geleden. Vijf.En.Twintig, zoals ik misschien wel op een t-shirt zou willen drukken. Een ongelofelijk getal. En we moeten er nog 25, vrees ik. Ik maakte een foto. Ondanks het tijdstip, kwart over zeven, was het er druk met gezonde mensen die laverend contact vermeden.

De foto raakt me. Verdomme, ik mis het. Ik mis de handdruk. De knuffel. De boks. De zoen. De streling over iemands arm. De hand op de rug. Ik mis zelfs de kolderieke verwarring die ontstaat als je recht op iemand afloopt, elkaar in de ogen kijkt, en dan allebei een paar keer in dezelfde richting ontwijkt. We zijn nu immers allemaal professionele vermijders geworden.

Lichamelijk contact is van levensbelang. Er bestaat wetenschappelijk onderzoek over. Het geeft erkenning van je fysieke bestaan. Wie het lijf van een ander voelt, ervaart zichzelf. Je bent er. De vriendelijke glimlach, de hand op het hart en het namasté-gebaar zijn een slap surrogaat van waar we werkelijk voor op aarde zijn. Elkaar (aan)raken.

Gelukkig houd ik mijn geliefde regelmatig vast, en zij mij. Met mijn jongste zoon knuffel ik af en toe. Omdat het moet, en omdat we al 25 dagen samen in een gezonde semi-quarantaine vertoeven. Het doet me beseffen hoe zwaar het is voor mijn moeder, die in haar eentje de dagen doorkomt. En behalve voor haar ook de vele anderen die dat fysieke genot en die levensbehoefte nu even niet kennen.

Wanneer was jouw allerlaatste handdruk? Wat was het beeld erbij? Wie was het? Hoe terloops voelde dat? Kunnen we het nog wel, iemand even raken met kortstondig contact? Allemaal vragen die ik me vanochtend vroeg stelde. De antwoorden maakten me een beetje verdrietig. Toen zuchtte ik eens diep en maakte een keurig boogje om de vrouw met haar hond. We lachten vriendelijk naar elkaar.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Rouwen met de riemen die je hebt

Doodgaan is okay, we doen het allemaal. Je doet het zelf, ook dat hoort erbij. Maar onmenselijk is de gedachte dat je door corona moederziel alleen moet sterven. Dus hoe doe je dat?

Het eerste, eerlijke antwoord: geen idee. Het is behalve onmenselijk ook ondoenlijk. Met een zwaar gemoed en vol respect lees ik over verpleegkundigen die patiënten in alle eenzaamheid hun laatste adem zien uitblazen. Niemand die ook maar een hand mag vasthouden, geen familie in de buurt. Tragisch.

Deze omstandigheden kennen geen ‘silver lining’. Hier valt geen troost uit te putten. Hooguit bewondering voor de professionele én empathische wijze waarop zorgverleners van niets toch nog iets weten te maken. Ze zijn er, en ze gaan door. Onvermoeibaar, onvermurwbaar, omdat er geen andere optie is.

Hierin ligt toch ook het antwoord op die onmogelijke vraag: we zijn er, en we gaan door.

Het menselijk aanpassingsvermogen maakt dat ook mogelijk. Onze natuurlijke veerkracht stelt ons in staat om elke keer weer op te staan na fikse tegenslag. De wereld draait door, ook al zijn we als samenleving even tot stilstand gedwongen. We zijn onze zekerheden even kwijt, maar vindingrijk als we zijn weten we er toch een mouw aan te passen.

De dood vormt daar geen uitzondering op. Mijn belangrijkste advies is om er nu al een gesprek over aan te gaan. Ik sprak erover met mijn 88-jarige moeder, gezond en wel in haar hermetisch afgesloten verzorgingstehuis. Wat als? Wat als je corona krijgt, zoals een aantal medebewoners is overkomen. Wat als we elkaar niet meer mogen zien?

Het is wat het is, luidt haar opvatting. Vreselijke gedachte, en toch valt ermee te leven. We hebben onlangs haar verjaardag niet kunnen vieren, met alle kinderen en kleinkinderen, dus die houden we tegoed. Maar wat als? Dan is dat wat het is, herhaalt ze. We spreken elkaar elke dag, via de telefoon en soms via een haperende videoverbinding. Alles is gezegd, we staan echt niet met lege handen.

Zo voelt dat natuurlijk wel. Maar lege handen kunnen ook op andere manieren gevuld worden. Stel dat je iemand verliest zonder fatsoenlijk afscheid, dan zijn je handen tot mooie dingen in staat. Maak een herinnering. Schrijf een anekdote, teken een lieve gedachte, knutsel een tastbaar voorwerp, bespeel een instrument, steek een kaars aan, leg je hand op je hart als je aan hem of haar denkt.

Deel en bewaar.

Delen doe je online. Er zijn volop mogelijkheden om contact met elkaar te onderhouden. Zwaai, reik uit of raak elkaar aan met je ogen dicht. Ook virtueel is er contact mogelijk, ook al voel je geen fysieke huid op huid. Energetische verbinding via de Wifi is met de juiste intentie wel degelijk een bron van warmte en liefde. Probeer maar, er zit veel meer leven in dan je denkt.

Bewaren doe je voor later. Op enig moment kom je heus weer samen om elkaar te omhelzen, om terug te blikken op het leven van iemand die je zomaar is ontglipt. Dat is de kracht van samenzijn. Sterven op afstand, en toch dichtbij. Als je van tevoren hebt gesproken over een mogelijk eenzame dood, voelt het al minder alleen.

Met een uitgesteld ritueel rouw je met de riemen die je hebt. In dat besef is het allemaal zo onmenselijk nog niet. En best doenlijk.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Leestip: Expertisecentrum Omgaan met verlies over overlijden in tijden van corona.

Het ziekelijke egoïsme in mij

En dan heb ik het niet over wc-papier. Nee, dan heb ik het over de volgorde der prioriteiten: ik, dan ik, en daarna ik. Eerst aan mezelf denken voordat ik iets kan betekenen voor een ander.

Het spijt me niet eens. Wroeging? Amper. Last van mijn geweten? Beetje, anders zou ik er nu niet voor uitkomen. Dat maakt de schaamte over mijn egoïsme minder groot. Ik poets het weg met deze schuldbekentenis. Want ik ben niet alleen.

Mijn onrust kwam afgelopen week vooral door de beurs. Wat een klap. Toen was er de lege werkagenda. Geen inkomsten voorlopig. Tjonge jonge, hoe gaan we dit opvangen? Ik vond mezelf vooral stom omdat ik mijn aandelen niet eerder had verkocht. Ik had dinsdag aandelen Netflix willen kopen, maar dat voelde onkies. Vrijdag kocht ik twee aandelen Zoom.

Uitzitten deze crisis, sprak mijn Amerikaanse schoonvader, altijd bereid tot een goeie beurstip. Hij ziet al ruim een week zijn demente vrouw niet, opgesloten in een verzorgingstehuis. Mijn hoogbejaarde moeder zit nu ook in een lock-down. We bellen elke dag. Dat is het minste wat ik kan doen. En eigenlijk ook het meeste.

(Schoon)ouders hebben de oorlog nog meegemaakt. Zo voelt het ook, sprak mijn moeder. Ik vroeg naar het recept voor tulpenbollensoep. Ze kon erom lachen. In de groepsapp van mijn vrienden kwam het verzoek om even te stoppen met flauwe memes. Een vriendin was ernstig ziek. We hielden ons aan het verbod op grappen. Zaterdagochtend is het goddank opgeheven.

Schaamteloos egoïsme, ik ga nog even door. Niet naar het balkon lopen om met de buurt mee te klappen om 20 uur. Nee, dat is cynisme. Ook al zoiets verwerpelijks. Om het bloemenkioskje heenlopen omdat er drie klanten iets te dichtbij elkaar staan. Nee, dat is gezond verstand. Vriendelijk knikken naar de buurman die normaliter wordt genegeerd. Solidariteit in de kiem, een eerste stap.

Ik ben niet bepaald trots op mezelf. Terwijl ik beter zou moeten weten. Ik strooi met mooie woorden die een voor een kloppen, die steun bieden en ons gezamenlijk door de dag helpen. Maar wordt het niet eens tijd voor daden, vraag ik mezelf. En dan niet op Twitter of Facebook, maar werkelijk in de straat waar ik me mondjesmaat vertoon.

Opnieuw heel egoïstisch wellicht, maar ik wens mezelf beterschap.

Rouwdagboek met een slinks geheimpje

Bij de uitgebreide editie van Tranen van liefde hoort natuurlijk een feestje. Onder het mom ‘Boek, borrel & bitterbal’ ontvang ik een vrolijk gezelschap mensen bij mij thuis. Ze kennen elkaar niet, en dus evenmin elkaars levensloop.

Ik wrijf even vergenoegd in de handen als de gasten in mijn huiskamer beleefd kennismaken en voorzichtig over zichzelf vertellen. Dit keer komen bij de boekpresentatie niet de logische genodigden, vrienden en familie, maar mannen en vrouwen die iets met mij delen. Eerst drank, dan een toespraakje.

Geen bitterballen, begin ik, maar zelfgedraaide gehaktballetjes omdat we het bitter vanmiddag buiten de deur houden. Sander en Noël spelen en zingen Autumn Leaves. Eamonn leest een gedicht voor van Baudelaire (Get Drunk). Uitgever Bram Bakker vertelt hoe het originele Tranen van liefde hem zo aangreep.

Het oorspronkelijke dagboek gaat over het jaar na de dood van Jennifer. Ik memoreer aan de voorbije negen jaar, opnieuw in dagboeknotities vervat en toegevoegd aan de herziene editie. Over liefde, vaderschap, 50 jaar worden, van baan veranderen, dagboek en hond Elsa, en over het loslaten van mijn volwassen zonen.

De wijn is toepasselijk van een Amerikaanse druif. De soep is geïnspireerd op mijn opleiding tot therapeutisch coach. De spinazietaart vormt het bewijs dat een prutser aan het fornuis toch kan uitgroeien tot keukenprins. Deviled eggs als eerbetoon aan mijn overleden echtgenote, en een publiekelijke zoen voor mijn nieuwe liefde. Er valt veel te vieren.

Het leven kent zijn hobbels, maar liefde en hoop overwinnen. Dat is de boodschap van de uitgebreide editie van Tranen van Liefde (2009-2019, Uitgeverij Water). Ik deel twee ‘eerste exemplaren’ uit. Eentje voor de gast die het meest recent zijn of haar partner heeft verloren (zeven maanden). En een boek voor de gast die het langst geleden is verweduwd (28 jaar).

Daarmee komt de aap uit de mouw. Alle uitgenodigde gasten hebben hun partner verloren. Ik wilde dat niet op voorhand vertellen, want dan zou het feestje nog voor het ontkurken van de eerste fles een beladen sfeer hebben gehad. Door het pas een uur na aanvang te onthullen, schiet iedereen in een ontspannen lach en vallen her en der kwartjes. De olifant in de kamer mag er zijn.

Of je een kwart eeuw of half jaar geleden je partner hebt verloren, in onbekend gezelschap blijft het meestal een onderwerp om te vermijden of discreet mee om te gaan. Je wilt het er niet altijd over hebben, tenzij je weet dat de ander de taal spreekt van de rouw. In mijn huiskamer is dat bepaald geen obstakel. Vreemden zijn plots bekenden van elkaar, en gaan op hun gemakkie jaren terug.

Ik noem opnieuw en ook hier de namen, opdat we ze niet vergeten: Liesbeth, Bas, Wil, Anne, Eric en Erik, Hennie, Boris, Stef, Peter, Jennifer, Otto, Derrick, Andy, Yvonne en Patrick. Blijf de naam van jouw geliefde noemen, ook in gezelschap dat geen idee heeft hoe het is om tranen van liefde te laten stromen.

Tranen van liefde, dagboek van een weduwnaar (uitgebreide editie 2009-2019), te koop bij Bol.com of rechtstreeks bij mij. Stuur een mail naar Tim.Overdiek@gmail.com

‘Alles wat was’ ging plots over Stine zelf

“Hier is mijn eerste exemplaar voor jou”, zegt Stine, en prompt schieten haar en mijn ogen vol. Haar nieuwe kinderboek ziet het levenslicht terwijl de tranen om de dood van haar vader nog niet eens zijn opgedroogd. Alles wat was komt ineens handig van pas.

We staan op vrijdagmiddag ergens in het Vondelpark. De hemel denkt serieus aan een plensbui, maar stelt nog even uit zodat een voorbijganger de formele overhandiging voor het nageslacht kan vastleggen. Niet in een boekwinkel, zoals aanvankelijk de bedoeling, maar gewoon even tussendoor in het park.

Een week eerder heeft Stine Jensen afscheid genomen van haar vader Niels Eilskov. Hij is onverwacht gestorven. De onheilstijding kwam op oudjaarsavond. Na een surrealistische reis door de vuurwerknacht arriveerde ze net op tijd in Denemarken om met zus Lotte zijn hand vast te houden tijdens de laatste ademtocht.

Dus stelde ze zich op 1 januari 2020 de vraag: hoe ga je om met afscheid? Het is de ondertitel van haar, door Marijke Klopmaker lieflijk geïllustreerde, kinderboek. Dat ligt op dat moment klaar om de wereld in te gaan. Stine herlas de woorden die ze zo zorgvuldig heeft gewikt en gewogen. Klopt het allemaal? Stel je voor…?

Ik had haar een tijdje geleden al meer dan gerustgesteld. Stine heeft het prachtig opgeschreven. Alles wat was vertelt kinderen over de gevoelens die er kunnen en mogen zijn na een ingrijpend verlies. Als je afscheid moet nemen van een geliefde persoon, van een dier, een plek of een situatie en daar dan verdrietig over bent.

Ik vind het boek een aanwinst. Had ik maar zoiets gehad toen mijn eigen vader overleed. Ik was 13 jaar, en ook al is Alles wat was bestemd voor een iets jongere doelgroep, ontdek ik genoeg relevante handvatten en tips die mij als puber hadden geholpen. (Als volwassenen kijken we soms ook liever naar het Jeugdjournaal dan naar Rob Trip, nietwaar?)

Opgroeien is toch al zo irritant. Er wordt van alles van je verwacht, en op elke situatie moet je als verantwoordelijk mens kunnen reageren. Blah. Beetje lastig als je vader of moeder zomaar doodgaat en je dat nog niet eerder hebt meegemaakt. Daarom zeg ik tegen Stine: “Ik hoop dat de kleine Stine in jou wat troostende tranen laat vallen op je eigen pagina’s.”

Haar boek, dat nu mijn boek is, gaat in de rugtas. We wandelen door het Vondelpark. Het is een vrolijk rondje vol herinneringen aan haar vader. Stine toont me foto’s van haar jeugd uit Oegstgeest. Wat heeft de jonge Neil Eilskov een door en door Deense kop, merk ik op. We lachen om het jaren tachtig-meisje Stine, dat met de scheiding van haar ouders toch al het nodige voor de kiezen heeft gekregen.

Haar leven zonder vader gaat nu door met het verankeren van momenten. Wat je in de rouw nodig hebt, is een houvast – symbolisch of concreet. In Alles wat was beschrijf ik hoe mijn ingedeukte trompet me ook 41 jaar later nog steeds doet denken aan de vader die me meenam naar een jazzconcert. Zijn liefde voor muziek stroomt door mijn aderen, en ook door die van mijn kinderen.

Want dat is rouw voor jong en oud. Herinneringen gaan nooit dood. Liefde kent geen uiterste houdbaarheidsdatum. Alles wat was, zal altijd blijven. Vertrouw er maar op, lieve Stine.

Alles wat was. Hoe ga je om met afscheid? van Stine Jensen is uitgegeven door Kluitman. Met illustraties van Marijke Klompmaker

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Time-out voor inspiratie bij Land van Rouw

Mijn voornemen in 2020 is af en toe even stilstaan. Een time-out in het dagelijks leven die me helpt om niet door te jakkeren in het tempo van de buitenwereld. Door stil te staan, en dat kan net zo makkelijk tijdens een wandeling door het bos of in de tram door de stad, stap ik in mijn binnenwereld.

(Foto Tessa Posthuma de Boer)

Daar kom ik tot rust. Ik check de innerlijke waarheid, die soms wordt gevoed door twijfels, onzekerheid, angst en andere negatieve krachten. Hoe doe ik het als vader? Hol ik mezelf voorbij in mijn praktijk? Blijf ik mezelf trouw in de liefde of beweeg ik te veel mee met de ander? Rustig maar, Tim, zeg ik dan. Rustig maar. Het is goed.

In ons boek Als de man verliest maken we regelmatig gebruik van time-outs. Wat doet de man (anders dan de vrouw) en waarom lukt dat soms niet? Wezenlijke vragen die we van context voorzien. En daarna aan de slag, beste man (en vrouw). Hoe doe jij dat? De meeste reacties die ik krijg, gaan precies hierover. Mooi om te lezen, maar wat doe ik ermee?

Op vrijdag 31 januari komen we met zijn allen bij elkaar om dieper in te gaan op de essentiële vraag: Hoe ga je als man om met tegenslag, verdriet en rouw? Opleidingen Land van Rouw organiseert een Inspiratiedag XL voor mannen én vrouwen die leven en/of werken met mannen. Als de man verliest krijgt daarmee handen en voeten.

In conferentieoord De Poort in Groesbeek neemt co-auteur en gelouterde mannencoach Wim van Lent het voortouw voor een dynamische dag vol nieuw inzicht en toepasselijke handvatten. Vakbroeders Bart Spijkerboer, Peter Asscheman en Jürgen Peeters gaan op hun eigen manier met het mannenthema aan de slag. Serieus zonder zwaarte, hier en daar een traan maar vooral een lach.

Ik doe vanzelfsprekend ook mee. Voor mij wordt de Inspiratiedag XL zo’n moment om even stil te staan. Wat heb ik geleerd van de lezingen in de voorbije maanden, en wat neem ik mee naar mijn lezingen in de komende tijd? Het leven gaat soms zo snel dat je het belangrijkste vergeet: een time-out voor jezelf.

Zie ik je in Groesbeek op 31 januari? Meer informatie vind je op de website van Land van Rouw: Inspiratiedag XL Als de man verliest.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34