Nieuws

Category Archive Nieuws

Man, als je beseft, ik wil niet meer

Als je denkt dat er geen uitweg meer is. Als je het niet meer voor elkaar krijgt. Als voor je gevoel het leven niks meer waard is. Als alle gevoel is verdwenen. Als je je kapot schaamt en je je geliefden niet meer onder ogen durft te komen. Als je zo eenzaam bent dat je ook (of vooral) niet meer bij jezelf wilt zijn. Als je overtuigd bent dat je hebt gefaald in het leven. Als er niks meer over is van een allerlaatste restje zelfrespect. Als je zoveel pijn hebt dat je het niet langer uithoudt. Als je alles hebt geprobeerd.

Als je beseft, ik kan niet meer. Ik wil niet meer. Ik stap eruit. (Dit is een ingekort hoofdstuk uit ons boek Als de man verliest, naar aanleiding van recente suïcidecijfers.)

Ook in deze donkerste spelonk van het leven, staand op de drempel van de dood met suïcide als enig overgebleven uitweg, ben jij niet alleen. Eruit stappen is een keus, en wij zullen je er niet om veroordelen. Tegelijkertijd zullen wij er alles aan doen om je terug te trekken van die drempel. Om je voor te houden dat er altijd nog een weggetje terug is, al moet je er voor je gevoel eerst weer een Mount Everest voor beklimmen. Om te laten zien dat het leven nog steeds de moeite waard is. Ondanks die pijn.

Je bent niet alleen.

Mannen plegen in Nederland twee keer zo vaak zelfmoord als vrouwen. Vrouwen doen twee keer zo vaak een poging tot zelfmoord. De cijfers: in 2017 stapten 1304 mannen en 613 vrouwen uit het leven. In Vlaanderen plegen 2,5 keer zoveel mannen zelfmoord als vrouwen. In het Verenigd Koninkrijk zijn dat er drie keer zoveel. In Polen acht keer zoveel. Vooral mannen tussen de 40 en 60 jaar stappen eruit. Na longkanker is zelfmoord de belangrijkste doodsoorzaak voor mannen onder de zestig. We zien het bij jongeren die zo gepest en daarmee geïsoleerd raken dat ze het leven niet meer zien zitten.

Wie zijn de meest kwetsbare mannen? Weduwnaars op leeftijd die niet met hun eenzaamheid kunnen omgaan. Gescheiden mannen die hun kinderen niet meer (mogen) zien. Boeren die al generaties lang het familiebedrijf runnen en tot hun eigen schaamte het hoofd niet boven water kunnen houden. Voor de buitenwereld succesvolle managers die onder de druk van hun veeleisende werk bezwijken. Mannen die met financiële problemen kampen, door verlies van werk of door gokverslaving, en er niet voor durven uit te komen. Maar ook de Vinex-vaders die een ogenschijnlijk kalm en overzichtelijk leven leiden, en die zich om wat voor reden zo waardeloos zijn gaan voelen dat zelfmoord de enige uitweg is geworden.

Wat hen bindt? Er niet over praten. Het niet laten zien. Zo eenzaam worden in hun isolement dat er op enig moment onherstelbare kortsluiting ontstaat. Gemiddeld vier keer per dag houdt een Nederlandse man het voor gezien. Vier keer! Per dag! Hoe vaak zou het alleen al door iemands gedachten schieten als de meest logische, laatste stap? Kortom, je bent niet de enige. Ook al voelt het zo verdomd alleen.

*

Een lange, slungelachtige vent komt mijn praktijk binnenlopen, gaat onderuitgezakt in de stoel tegenover me zitten. Roelof is begin dertig, en heeft het zichtbaar zwaar. Stiknerveus begint hij te praten. Ik laat hem even gaan, maar grijp snel in. Er valt geen touw aan vast te knopen. “Wacht even”, zeg ik, en laat een stilte vallen. “Voordat we bij het begin beginnen, hoe gaat het op dit moment met je?”

Hij kijkt me aan en schiet vol. “Het hoeft niet meer wat mij betreft.”

“Wat hoeft niet meer”, vraag ik rustig.

“Niks hoeft meer.”

“Wat is niks.”

“Nou ja, dit.”

“En wat is dit?”

Hij kijkt me wat bozig aan. Begrijp ik dan niet wat hij bedoelt, zie je hem denken. Natuurlijk begrijp ik heel goed wat er aan de hand is. Ik wil het bespreekbaar maken. Man en paard noemen. Dus ik herhaal de vraag waar we allebei het antwoord op weten. “Wat bedoel je precies met, het hoeft wat mij betreft niet meer.”

“Leven.”

De man is dus nog geen vijf minuten binnen, en vertelt dat hij uit het leven wil stappen. Ik vraag hem of hij een poging heeft gedaan. Dat is niet het geval. “Maar ik denk er wel over na. Heel concreet.” Stap voor stap gaan we langs zijn gedachten, in hoeverre hij het serieus van plan is, en of hij dit al met iemand anders heeft gedeeld.

“Jij bent de eerste aan wie ik het vertel.”

Hoe diep hij ook in de put zit, Roelof verdient een oprechte schouderklop dat hij zijn doodswens heeft gedeeld. Het is trouwens de vraag of hij echt dood wil, maar dat doet er nu even niet toe. Soms is het uitspreken van een doodswens juist een helpende gedachte. Daarmee benoem je je eigen onmacht. Het betekent bovendien niet dat hij het ook daadwerkelijk gaat doen, ook al weet je dat nooit helemaal zeker. Hoe dan ook, hij is gekomen, wat al een klus is, en hij heeft gedeeld. Zijn angst, zijn gedachten, zijn depressieve gevoelens, zijn wanhoop, maar ook zijn wil om hulp te krijgen.

“Praat voordat je gaat”, vertelt Ad Kerkhof in het boek Man O Man van Nathan Vos (over de zelfmoord van zijn broer David). De hoogleraar Klinische Psychologie, Psychopathologie en Suïcidepreventie aan de Vrije Universiteit Amsterdam kent het prijskaartje. “Mannen krijgen op een gegeven leeftijd de rekening gepresenteerd van niet over gevoelens praten, van helemaal niet praten. (…) Hij kan eindeloos piekeren, maar stelt zich niet de vraag hoe hij zich voelt en wat dat betekent. Hij wil niet toegeven dat hij gedachtes en gevoelens heeft, zal daarvan weg proberen te kijken en zal proberen ze te stoppen.”

Precies op dat punt heeft cliënt Roelof een knoop doorgehakt, waar hij naar eigen zeggen ook bezig was een knoop te bedenken voor aan de zware balk in de schuur. Kerkhof heeft het hier dus over isolement. Of beter gezegd, hij spreekt over het ‘mannen-isolement’ zoals we dat in het vorige hoofdstuk uitvoerig hebben beschreven. Dat laat Roelof ook zien. Hij is volledig verstrikt geraakt. Dit isolement is het (bij-)product van socialisatie tot man. Dat wordt al vroeg in het leven van jongens geïnstalleerd. Jongens leren, vaak onbewust, dat bepaalde gevoelens niet bij de mannelijke identiteit horen. Daardoor leren zij al heel vroeg om bepaalde gevoelens te onderdrukken en te controleren.

Drie dagen later komt Roelof mijn praktijk binnenlopen. Hij leeft. Ik had snel een volgende afspraak met hem gemaakt, en hem laten beloven dat hij er in de tussentijd niet uit zou stappen. Ook al weet ik dat dit geen garantie biedt, maar in ieder geval heb ik er ook mijn eigen onmacht als hulpverlener enigszins mee beteugeld. Mocht hij in acute nood komen, dan kon hij me meteen bellen en zou ik hulptroepen regelen.

Veel beter gaat het niet. De gedachte aan zelfdoding is elke dag aanwezig. “Maar ik ga het niet doen, zelfs daar ben ik te slap voor”, zegt hij. Zijn zelfbeeld ligt aan diggelen. Een tijdje geleden is hij zijn werk kwijtgeraakt. Door eigen toedoen, vertelt hij. Veelvuldig drugsgebruik, waardoor hij agressief werd naar zijn collega’s en simpelweg niet meer functioneerde. Voor zijn gevoel heeft hij niks meer om voor te leven.

De zwartgalligheid heeft hij van zijn vader, vindt Roelof. Tussen vader en zoon gaat het niet best. Vader is bang dat zijn zoon iets overkomt, hijgt hem voortdurend in zijn nek en herkent de worsteling die hij zelf jarenlang heeft gevoerd. Zoon voelt zich weer de 15-jarige puber en verzet zich tegen de ouderlijke bemoeienis. Onbewust is hij hiermee loyaal zijn vader.

“Is het misschien een goed idee als je vader eens een keertje meekomt”, stel ik voor. “Ja, graag”, zegt Roelof. Het zal nog zes sessies en twee afzeggingen duren voordat ze allebei tegenover me plaats nemen. Eerst heeft Roelof het nodige voor zichzelf uit te zoeken. Hij heeft zijn handen vol aan de klus om in leven te blijven.

Zelfdoding kan volgen na ondraaglijk isolement in een doodlopende straat. Onmachtig en wanhopig blijf je tegen die muur opknallen, tot het niet langer gaat. Soms zijn de voortekenen herkenbaar. Helaas is het niet zelden pas achteraf dat je als achterblijver denkt: verdorie, had ik maar. Had ik maar wat vaker gevraagd hoe het werkelijk met hem ging. Was ik maar alerter geweest toen hij verdacht vaak naar zolder verdween om daar uren in zijn eentje door te brengen. Had ik maar doorgevraagd toen hij over frustrerende situaties op zijn werk vertelde. Had ik maar dit of had ik maar dat. Waarom zei hij niet hoe ongelofelijk slecht het met hem werkelijk ging?

Een typisch mannendingetje. Isolement is de basis van waaruit wij mannen opereren. We hebben het in het vorige hoofdstuk al geconstateerd; De man heeft nu eenmaal de neiging om dingen alleen te doen en problemen zelf op te lossen. We zien onszelf graag als autonoom, en tegelijkertijd kunnen we het moeilijk verdragen om (te lang) alleen te zijn. Iets in je eentje willen oplossen, maar als het echt te zwaar wordt niet bij machte zijn om je hand op te steken. Hoor jij bij deze groep?

*

Time-out – Ga eens een stapje verder dan braaf ja-knikkend op de vraag of ‘jij deze groep hoort’. Stel jezelf in alle stilte de volgende vragen:

Denk jij weleens aan zelfmoord? Vind jij dat je eigenlijk niet goed genoeg bent? Loop jij ook al een hele poos op je tenen? Denk jij dat je het in wezen niet waard bent om te leven? Denk jij dat je geen hulp verdient? Ben jij ook vooral bezig om de mensen om je heen te redden en daarbij jezelf te vergeten? Word jij soms gek van dat almaar terugkerende gepieker?

Als jij meerdere vragen met een ja beantwoordt, dan zit je in een risicogroep. Dan wordt het tijd om uit die stilte te stappen en er met mensen om je heen over te praten. Echt, doe het. Dit is geen advies om de schouders eigenwijs bij op te halen.

*

We herhalen de bloedstollende man-vrouwratio: mannen plegen twee keer zo vaak zelfmoord dan vrouwen. Een schrikbarend verschil. Over de oorzaak hiervan is weinig literatuur te vinden. Zonder het wetenschappelijk te kunnen onderbouwen hebben wij op basis van onze ervaring als therapeut sterk de indruk dat isolement in combinatie met almachtgedrag en de bijbehorende daadkracht een dodelijke mix kan zijn.

Denken aan zelfmoord en het dan nog doen ook, als je jezelf wanhopig voelt en in de overtuiging leeft dat je problemen zelf moet oplossen en er toch niemand voor je is. Als je te lang op dat verrekte eilandje van verdriet hebt gebivakkeerd en er geen redding in zicht is. Als er drank of drugs in het spel zijn die gevoelens uitschakelen en de drempel tot handelen verlagen. Want als mannen iets doen, dan doen ze het meteen goed. Ze gebruiken agressievere en daarmee effectievere middelen.

Dat vrouwen twee keer zo vaak een poging doen, zou weleens te maken kunnen hebben met de manier waarop vrouwen blijven communiceren en dus bij voorkeur een signaal over hun wanhoop afgeven. De meeste vrouwen hebben immers al vroeg geleerd om hun innerlijke roerselen te delen met andere vrouwen. Dat voorkeursgedrag kennen mannen meestal niet.

Uit Man o Man een citaat van de Australische opvoedpsycholoog Steve Bidduph: “Als een man ten diepste ongelukkig is, wanhopig bezorgd of intens eenzaam of verward, zal hij meestal doen alsof het tegenovergestelde het geval is, zodat niemand het doorheeft. Kleine jongens leren vroeg in hun leven – van hun ouders, van school en van de grote wereld daarbuiten – dat ze moeten doen alsof. En de meesten zullen dat de rest van hun leven blijven doen.”

Time-out – Ken jij deze beweging? Je groot en sterk voordoen terwijl je je klein en waardeloos voelt? Het volhouden overdag en ’s avonds instorten of jezelf verliezen in destructief gedrag? Zit jij gevangen in die vicieuze cirkel?

In het bloedstollende relaas over de zelfmoord van broer David spaart Nathan ook zichzelf niet. Hij kijkt in de spiegel. Hoe zit het met boosheid? Met zijn boosheid? “Die van mij voel ik soms letterlijk. Mijn handen knijpen samen, mijn kaak verstrakt en mijn bewegingen worden harder. (…) Die woede duurt meestal maar kort. En hij hangt, als ik erin slaag erop te reflecteren, altijd samen met onmacht. Onmacht om iets op te lossen: werk (meestal), relatie (soms), familie (soms), vrienden (zelden), de rest van de wereld (vrijwel nooit). Of iets dieper: onmacht over mijn leven. Dat alles klopt, maar het toch niet goed genoeg lijkt.”

Op zijn broer David, en wat hij had gedaan, was Nathan maar heel even boos. Diens zelfmoord, vlak na zijn veertigste, was namelijk te groot om boos over te zijn. In een interview met HP/De Tijd vertelt Nathan: “Ik heb vier broers en een zus. Er waren drie broers waar ik me zorgen om maakte, maar er was ook een stabiele factor: David. Al decennia met een leuke vrouw, keurige carrière, drie geweldige zoons, mooi huis. Maar bij hem is het gaan schuiven in zijn hoofd, ergens eind 2014, denk ik. Zonder dat we het doorhadden. Tenminste, ik niet. Thuis werd hij wel mopperiger, vervelender, chagrijniger.

Hij heeft zich rond maart 2015 ziekgemeld, overspannen, en toen is het heel hard gegaan. Een maand later deed hij een zelfmoordpoging. Op 20 mei is hij overleden. Hij had niks, was volledig steady, gebruikte niks, was een liefdevolle vader. Hij werkte zich de rambam, was jarenlang de gedroomde werknemer, de ideale collega. De ideale echtgenoot. In de Vinex-wijk waar ze waren neergestreken was er geen hulpvaardiger en gezelliger buurman dan David Vos. Terwijl ik wild door mijn studiejaren heen klooide, was David een monument van stabiliteit. Achteraf denk je, en dat is ook wel heel pijnlijk: Hadden we, toen we het slecht zagen gaan, niet veel meer door moeten vragen? Want achteraf gezien stonden alle sporen wel de verkeerde kant op. Maar zelfs achteraf denk je niet, dat leven leidde daarnaartoe. Helemaal niet.

Waarom hij het heeft gedaan, zullen we nooit precies weten. Maar ik ben daarna wel op onderzoek gegaan. Wat kan er nou onder zitten, bij dat verdriet of die woede of die interne strijd? Waar komt dat vandaan? Niet zozeer alleen bij hem, maar bij mannen zoals hij en ik. Ik denk dat hij misschien wel ten onder is gegaan aan het man-zijn. Volgens mij lopen heel veel mannen hiermee. Niet met suïcidale gedachten, maar ze hebben vaak een ongezonde manier van met het leven omgaan, met de innerlijke strijd, woede of angst die ergens blijft zitten. Dat had bij David zo kunnen zijn, maar dat zie ik bij heel veel mannen die ik ken.”

Depressies bij mannen blijft nogal eens onopgemerkt, ook onder de mannen zelf. We vinden van onszelf dat dit bij ‘mannelijk gedrag’ hoort. Stilzwijgen, zelfbeheersing en solistisch opereren worden in onze maatschappij als mannelijk gelabeld en daardoor als positief bevestigd. Faalangst horen we niet te kennen, en als het al opborrelt, dan onderdrukken we dat het liefst. Stel je voor dat je als loser wordt ontmaskerd? Onder geen beding. Zonder dat het opvalt, kunnen mannen lang doormodderen en in een neerwaartse spiraal terechtkomen.

*

Zijn hond is dood, en Arthur kan er niet zonder tranen over vertellen. Het was allemaal snel gegaan, nadat hij negen jaar lang een trouw maatje had gehad. Een paar weken geleden moest hij hem laten inslapen. Hij twijfelde even of hij erover moest vertellen op zijn werk. “Je weet het maar nooit met al die mannelijke collega’s. Ze kun je er ook zo mee voor de gek houden.” Gelukkig reageerden ze heel liefdevol en serieus, ook zijn leidinggevende van wie Arthur dat juist niet had verwacht.

Een paar dagen na de dood van zijn hond was hij op de motor naar Middelburg gereden. Daar ligt zijn vader begraven. Die heeft Arthur op tweejarige leeftijd verloren aan suïcide. Als hij over het bezoek aan zijn vaders graf vertelt, wordt de man van bijna twee meter zichtbaar weer het kleine jongetje dat nog steeds zo diep de pijn en het gemis om zijn vader voelt. Hij huilt tranen met tuiten. Ik verwelkom het verdrietige kind in hem, en hij voelt vooral opluchting dat hij zijn hart kan uitstorten.

Het komt vaak voor dat kinderen die een ouder aan zelfdoding verliezen het gevoel krijgen dat ze het blijkbaar niet waard waren om voor te leven, weet mijn collega en (mede)auteur Wim van Lent. Dat idee kan soms een heel diepe overtuiging worden, en het bepaalt je (overlevings)gedrag op latere leeftijd. Dat uit zich door altijd je best te willen doen, op je tenen te lopen vanuit het onbewuste verlangen dat er wel degelijk van je gehouden wordt en dat je de moeite waard bent.

De dood van Arthurs hond heeft het oude verlies weer wakker geschud. Door zich daarvan bewust te zijn, en naar het kerkhof te gaan en zijn vader ‘te vertellen’ over het nieuwe verlies, maakt Arthur een helende beweging. Nu kan en mag hij verdrietig zijn om het gemis en de pijn zoals hij dat nooit eerder heeft kunnen voelen. Wie zich zo open durft te stellen, kan mooie stappen maken. Arthur komt immers niet primair om het verlies van zijn hond en zijn vader. Hij wil meer zelfvertrouwen ervaren in zijn werk en afrekenen met zijn onzekere en negatieve zelfbeeld. In plaats van zich terug te trekken en een isolement op te zoeken waar zijn vader vlak voor zijn zelfdoding ook in moet hebben verkeerd, breekt Arthur met een patroon dat in de mannenlijn van zijn familie heel wat verdriet heeft veroorzaakt.

Uit onderzoek blijkt dat onder mannelijke nabestaanden van suïcide in de eerste familielijn een veel hoger risico bestaat om eveneens uit het leven te stappen, schrijft Jos de Keijser in Handboek Traumatische Rouw. “Onderzoekers verklaren dit door de familiaire aanleg voor psychiatrische aandoeningen als depressie en psychose, alsmede door het voorbeeldgedrag. Nabestaanden ervaren weinig sociale steun, ervaren isolatie en gaan zich afvragen waarom ze het voorbeeld eigenlijk niet volgen.”

Suïcide komt in sommige families vaker voor. Als je wat generaties terugkijkt, valt misschien op dat oom Piet, opa Karel en nicht Carolien uit het leven zijn gestapt. Je gaat er bijna wat van denken, en soms klopt dat ook. Wanneer in de familielijn een suïcide heeft plaatsgevonden, en er is niet of onvoldoende gerouwd om dat traumatisch verlies, dan kan dat invloed hebben op een latere generatie.

Die wetmatigheid is lastig te doorbreken. Nabestaanden van zelfmoord hebben talloze onbeantwoorde vragen. Er is veel onbegrip, onmacht, schuld en schaamte. Ook religie kan een rol spelen, waardoor de ‘afgekeurde dood’ een overspoelende ervaring wordt waar je geen raad mee weet. Soms wordt er simpelweg niet over gesproken, en ontstaat er een familiegeheim dat bij iedereen bekend is maar door iedereen wordt ontkend. Daardoor is er ook geen ruimte voor rouw.

Het traumatisch verlies neemt juist in kracht toe, en ondergronds werkt dit door in de tijd. Het risico ontstaat dat iemand uit een jongere generatie deze last onbewust op zich neemt. Hij of zij identificeert zich met het overleden familielid met bijbehorend verhaal. Dat is een zware en eenzame last, die in het ultieme geval kan leiden tot de wens om er ook zelf op enig moment uit te stappen.

Time-out – Heeft iemand in jouw familie zelfmoord gepleegd? Is het bespreekbaar? Onderzoek het eens. Het mag geen taboe zijn, want zwijgen is pijn onnodig wegstoppen. Praten lucht op.

*

Christiaan begroet me met een ontwijkende blik. Een jaar of dertig, ietwat gedrongen postuur en stijlvol gekleed. Zijn vriendin heeft steeds vaker aangedrongen om eens met iemand te gaan praten. “Dus ben ik maar gekomen”, zegt hij, alsof-ie met geweldige tegenzin in de stoel tegenover me heeft plaatsgenomen.

Ik hoef niets te doen, anders dan hem vriendelijk welkom te heten. “Het gaat niet meer”, zegt hij vrijwel meteen. “Het gaat gewoon niet meer. Ik houd het niet meer vol.” Het gaat slecht op zijn werk, in zijn relatie. Hij vertelt honderduit, totdat na enig doorvragen de ware aanleiding aan het licht komt. Zijn vader heeft zich een jaar eerder van het leven beroofd. “Vanuit het niets. Hij ging benzine tanken omdat hij de volgende dag met mijn moeder op vakantie zou gaan. Niemand begrijpt het.”

Zijn vader is voor de trein gesprongen. Door de verminking was hij in het mortuarium nauwelijks herkenbaar. Christiaan voelt zich naar eigen zeggen vooral schuldig, “omdat ik het niet heb zien aankomen”. Ook is er schaamte voor wat zijn vader hem en de familie heeft aangedaan. “Behalve met mijn vriendin praat ik er met niemand over. Op mijn werk niet, nergens niet. En mijn moeder en zus wil ik niet belasten, want die hebben het al moeilijk genoeg.”

“Als begeleider kon ik niet anders doen dan naar hem luisteren”, zegt Wim. “Er valt niks te repareren. De zelfdoding van zijn vader kon ik niet ongedaan maken.” Wat resteert, is de rouw die wordt versterkt door het onbegrip, de machteloosheid, zelfverwijten wellicht. Vragen naar wat hem bezighoudt, tot aan de kleinste details en hem hierin te erkennen, is het enige wat je in die eerste ontmoeting kunt en hoeft te doen.

Er is een stevig verschil tussen rouw na zelfdoding en rouw na elk ander overlijden, ondervond de Belgische rouwexpert Manu Keirse in zijn praktijk. Wat gebeurt er met de achterblijver? Wat mag er aan gevoelens allemaal zijn bij de nabestaande? En waar houd je als hulpverlener rekening mee? Enkele van zijn overwegingen:

  1. Je kunt eindeloos blijven zoeken naar verklaringen voor de wanhoopsdaad. Zeker als er geen briefje is achtergelaten of als een afscheidsbericht meer vragen oproept dan beantwoordt. Binnen therapie is het toch belangrijk om de vraag ‘waarom’ eindeloos te mogen stellen. Aan die telkens terugkerende vraag kleven gevoelens die je niet mag negeren.
  2. Het schuldgevoel bij de achterblijver is intenser dan na de dood door ziekte of een verkeersongeval. Schuld en liefde zijn twee kanten van dezelfde medaille. Dat gevoel van schuld mag er wel degelijk zijn, maar je bent niet schuldig aan de zelfmoord van je geliefde. Je bent geneigd om eerst de schuld bij jezelf te zoeken, en later bij een ander zoals je partner.
  3. De impact van het stigma. Hij of zij is eruit gestapt – shame on him. Het kan echter leiden tot oordelend en vermijdend gedrag door zowel de familie als de omgeving. Daardoor is er mogelijk minder steun. En wat niet helpt, is het stilzwijgen en het onbespreekbaar maken van de gebeurtenis.
  4. De aard van het sterven is onverwacht, te vroeg en gewelddadig. Dat veroorzaakt een grote schok omdat je het niet hebt zien aankomen. De impact is enorm als je het lichaam vindt (en de meeste zelfdodingen vinden thuis plaats). Op het destructieve karakter van de zelfmoord is geen mens voorbereid, dus reacties van ongeloof en ontkenning duren vaak langer en zijn intenser.
  5. Er is veel stress omdat er niet zelden een lange geschiedenis van mentaal (of fysiek) lijden vooraf is gegaan aan de suïcide. Die wordt ook nog eens versterkt als de zelfdoding volgt na een hoopvolle periode (waarin het net zo goed leek te gaan). Afscheid nemen is niet altijd mogelijk door verminking van het lichaam. Het (goedbedoelde) advies om ‘niet te kijken en je te herinneren hoe hij of zij bij leven was’, kan ook tot vreselijke fantasieën leiden.

*

“Ik voel me zo machteloos, terwijl ik tegelijkertijd zo goed weet dat ik het niet kon tegenhouden.” Marten zit verslagen tegenover me. Zijn jongste zoon heeft zich verhangen, het is nog maar drie maanden geleden. Het was niet onverwacht, maar daarom niet minder schokkend. Op een dag was hij verdwenen. ‘Ik ben weg en weet niet wanneer ik terug ben. Zoek geen contact, ik houd zelf contact’, is een van de regels uit het afscheidsbriefje.

Ze zijn hem gaan zoeken, in paniek en uit liefde. In een hotelkamer in het buitenland is hij uiteindelijk door een kamermeisje gevonden. Toen ze enkele dagen later zijn lichaam zagen, was de doodsstrijd op het gezicht te lezen. Dat-ie het leven te zwaar had gevonden, dat begrepen ze. Maar had hij wellicht op het laatste moment spijt gekregen? Marten vond het een ondraaglijke gedachte. “Had ik iets kunnen doen in die laatste momenten?”

Marten kent het antwoord. Nee, hij had niets kunnen doen. Ze hebben er alles aan gedaan, ook toen zijn zoon al eens een poging had ondernomen. Dat neemt niet weg dat Marten vindt dat-ie gefaald heeft. Als vader, als man, als echtgenoot. Was hij juist niet de beschermer van zijn gezin? Waarom in hemelsnaam? Waarom zijn zoon, waarom dit lot voor de achterblijvers?

Ik geef geen antwoorden. Luisteren vol begrip en doorvragen zonder oordeel zijn het enige wat hier nu moet gebeuren.

Het mag er allemaal zijn, en van de vijf bovengenoemde aspecten bij rouw na zelfdoding tikt Marten ze zo’n beetje allemaal aan. Met uitzondering van het stigma. Tijdens de uitvaart windt niemand er doekjes omheen. De zoon is uit het leven gestapt. Het is wat het is. Er wordt gesproken over de jarenlange innerlijke strijd, over het hulptraject, over de boosheid en het verdriet, over de hoop en de wanhoop. Zijn sterven is misschien onacceptabel, voor de onomkeerbaarheid van de dood is respect.

Dit betekent niet dat het doorleven van dit gigantische verlies minder moeilijk wordt. Marten is zich bewust van de lange weg die hij heeft te gaan. Het is moeilijk om troost te vinden. Je kind verliezen is verschrikkelijk. Als dat kind ook nog zelf voor de dood heeft gekozen, raakt dat je vol in het hart. Dat de vader zijn tijd vult met het nalopen van scenario’s en het uitpluizen van alle details waarmee hij feitelijke helderheid krijgt, is begrijpelijk. Doe wat je te doen staat, dag na dag, stap voor stap.

Time-out – Dit hoofdstuk gaat letterlijk over leven en dood. Speel jij met de gedachten om eruit te stappen? Heb jij hulp nodig? Durf je er niet over te praten? Dat kan ook anoniem: Bel 113. Nu. Ken jij iemand die aan zelfmoord denkt en je weet niet wat je moet doen? Bel 113. Nu.

*

Dit is een (ingekort) hoofdstuk uit het boek ‘Als de man verliest, omgaan met rouw, verdriet en tegenslag’, dat ik schreef met Wim van Lent. Wil je meer weten over de manier waarop mannen anders omgaan met verlies en tegenslag dan vrouwen? Meer info: Als de man verliest, Balans Uitgeverij

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Wie kent nog levende WO2-dwangarbeiders?

In mijn speurtocht naar de oorlogsjaren van mijn vader Paul stuit ik vooral op grafstenen. De mannen die in de Tweede Wereldoorlog gedwongen moesten werken in Duitsland, zijn in mijn verhaal vooralsnog allemaal overleden. Toch moeten ze er nog zijn, die voormalige dwangarbeiders. Wie kent ze?

Vijf dwangarbeiders in Krefeld

Onderzoekster en historica Renske Krimp is naarstig naar ze op zoek, om hun verhalen op te tekenen voor haar promotie-onderzoek. De tijd dringt om getuigenissen van de Arbeitseinsatz uit eerste hand vast te leggen. Maar liefst 34 mannen heeft Renske de voorbije periode kunnen ondervragen, en elke overlevende is er een.

Renske Krimp werkt voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Dat vroeg dit jaar aan André van Duin om te spreken tijdens de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam. Zijn ontroerende verhaal ging onder meer over zijn eigen vader, die vanuit Rotterdam naar Duitsland werd gestuurd en met een fikse mentale tik was teruggekeerd.

Waar zijn vader precies had gezeten, dat weet Van Duin niet eens. Dat is typerend voor vele dwangarbeiders, die er na de oorlog liever het zwijgen toededen. Ze waren geen helden uit het verzet, ze waren geen overlevenden uit de vernietigingskampen, ze hadden niet ondergedoken. Nee, ze waren in Duitsland geweest, het leeuwendeel omdat ze geen keus hadden.

Ik spreek regelmatig met kinderen en kleinkinderen van mijn vaders kampgenoten. Het levert meer vragen op dan antwoorden. Want waarom vertelde pa of opa er niet over? Waarom reageerde iedereen met een pijnlijk stilzwijgen? Was er schaamte? Was het psychische leed gewoon te groot? Renske heeft een (overleden) opa die in Bielefeld zat, ik een (gestorven) vader die in Krefeld.

Voortdurend ontmoet ik nabestaanden die met hun eigen verhaal komen, over een vader of een oom, een opa of een verre neef. Maar dat verhaal stokt meteen, want behalve wat historische feiten of waar en wanneer is er meestal niets verteld door de voormalige dwangarbeider. Vandaar die laatste poging van Renske Krimp, om die tijd te begrijpen en erover te kunnen informeren aan toekomstige generaties.

Wie kent een nog levende WO2-dwangarbeider? Laat het ons weten.

Renske Krimp: renske.krimp@4en5mei.nl

Of stuur een mail naar mij: tim.overdiek@gmail.com

Voor meer informatie over mijn zoektocht: Wie zijn deze mannen naast mijn vader Paul?

Wie is de omgekomen dwangarbeider Mathias Tillemans?

Zijn naam is Mathias Tillemans, en samen met mijn vader (rechts vooraan) staat hij ergens tussen deze mannen op de foto. Hij heeft het einde van de Tweede Wereldoorlog niet gehaald. Op 1 oktober 1944 kwam hij om het leven bij een geallieerd bombardement op Krefeld. Ik ben op zoek naar zijn nabestaanden.

Zestien mannen, inmiddels zijn er zes geïdentificeerd

Ik noem vandaag, 4 mei 2021, bewust zijn naam. Ook hij mag niet worden vergeten, want ergens is hij dat al. De honderdduizenden dwangarbeiders die naar Duitsland moesten deden er bij terugkeer zelf meestal het zwijgen toe. Een vergeten generatie oorlogsslachtoffers. Onterecht, vind ik als zoon van een van hen. Dus wek ik Mathias Tillemans opnieuw tot leven.

In de speurtocht naar mijn vaders oorlogsjaren kom ik steeds meer te weten over zijn kampgenoten die voor de Deutsche Edelstahl Werke in Krefeld hebben gewerkt. Hoe meer verhalen ik opteken, hoe meer namen worden genoemd, hoe verder ik lijk af te geraken van Paul Overdiek (1923-1978). Dat geeft niet, want ik speur niet alleen voor mezelf maar ook voor de (klein)kinderen.

Inmiddels heb ik foto’s van zijn begrafenis ontdekt, bewaard in een koffertje op zolder bij de zoon van een van pa’s kameraden van toen. Onvertelde verhalen, die meer vragen oproepen dan beantwoorden. Inmiddels heb ik tientallen Tillemansen aan de telefoon gehad, maar bij niemand gaat een belletje over de betreurde Mathias rinkelen.

Dus maak ik in dit blog een tussenstop bij het leven van Mathias Tillemans. Geboren op 13 maart 1911 in Weert. Hij trouwde op 18 november 1938 met Mina Juliana Rutjens. Op 1 oktober 1944 stierf Mathias, dodelijk geraakt tijdens een van de talloze aanvallen op de fabriek waar hij met mijn vader dwangarbeid verrichtte.

Hij werd begraven in Krefeld, maar later herbegraven op het Nederlands ereveld in Düsseldorf-Oberbilk, vak E rij 7 nummer 13. Contact met de oorlogsgravenstichting heeft niets opgeleverd, want daar zijn geen nabestaanden meer bekend. Het zet me alleen maar harder aan het werk. In ieder geval zal ik Mathias later dit jaar namens mijn vader en zijn maten van toen een groet gaan brengen.

Mathias Tillemans’ weduwe hertrouwde met Jacobus Leonardus Smolenaars, geboren op 9 december 1918 (Grathem) en overleden op 7 januari 1976 in Weert. Mina Rutjens stierf op 27 januari 1968, ze werd slechts 51 jaar. Mijn zoektocht stokt. Hadden ze kinderen? Zijn er neven of nichten die zich iets herinneren? Matthias had twee zusters, Maria Catharina Tillemans (2 maart 1935) die met Joseph Arthur Rondas trouwde. En Aldegonda Maria Tillemans (24 februari 1908). Dat zijn de namen en de data.

Wie heeft er meer informatie? Laat het me weten: tim.overdiek@gmail.com

Meer informatie over mijn speurtocht:

Op zoek naar mijn vader Paul de dwangarbeider

En

Wie zijn de mannen naast mijn vader Paul Overdiek?

De naam van die man noem ik nooit meer

Verbijsterd zat ik het afgelopen etmaal op de bank. Woede borrelde op maar vond geen uitweg. Ik was volledig lamgeslagen. De opluchting na de definitieve bevestiging dat Biden heeft gewonnen, kon het verdriet om mijn tweede vaderland niet wegnemen.

In de elf jaar dat ik er woonde en werkte als (NOS-)correspondent, wortelde de liefde voor het land van onbegrensde mogelijkheden. Ik trouwde er met mijn grote liefde, we kregen samen twee zonen (die in de US Elections hebben gestemd) en nog steeds kan ik dagdromen over een houten huis in New Hampshire om er mijn resterende tijd te slijten.

Live free or die is het motto van deze staat in het noordoosten van de Verenigde Staten. In de Amerikaanse revolutie was deze slogan, toegeschreven aan generaal John Stark, een letterlijke drijfveer. Extremistische echo’s weerklonken in het prille 2021, aangemoedigd door de 45ste president van de Verenigde Staten. De democratie werd gewurgd.

Inmiddels kunnen we weer een beetje ademhalen, maar het herstel van deze aanslag zal net als corona nog lang duren. Rond het middaguur op woensdag 20 januari komt de nachtmerrie tot een einde, als minuten na de inauguratie van vicepresident Kamala Harris de politieke loopbaan van die man definitief wordt beëindigd.

Ik noem zijn naam nooit meer.

Vier jaar geleden was het na dertig jaar journalistiek mijn laatste klusje bij de NOS. Als eindredacteur online overzag ik de videoverslaggeving over de strijd tussen Hillary Clinton en de Republikeinse kandidaat (NOS The Series). Daags na de inauguratie van die man toog ik naar het Museumplein. Voor het eerst in mijn leven demonstreerde ik. Tegen hem.

De jaren erna was het zuchten, boos worden, discussiëren, ontkennen, fulmineren of simpelweg negeren. Dat laatste was onmogelijk, vooral bij mij thuis waar mijn twee stemgerechtigde zonen hun eigen mening ventileerden. De oudste doet nog steeds een uitstekende imitatie van die man. Ze hebben overigens op die ander gestemd.

Als huidig mannencoach heb ik geprobeerd om iets van therapeutisch begrip voor de bewoner van het Witte Huis op te brengen. Eerst kon dat door te wijzen op diens rechtlijnigheid. Wat hij beloofde tijdens de campagne, werd omgezet in decreten en beleid. Vaak genoeg heb ik meegemaakt hoe politici beloftes aan de kiezer schenden, deze apolitieke man was in dat opzicht onverzettelijk.

De opbrengst na vier jaar polarisatie met een schier criminele tendens: ondermijning van de democratie, het aanzetten tot geweld tegen de media, zelfverrijking en voorkeursbehandeling van zijn politieke en zakelijke vriendjes, en ja, wat nog meer? Ik ga er niet omheen draaien. Deze man is rijp voor de gevangenis of voor het gesticht.

Het is te kort dag om hem uit zijn ambt te zetten. Onvoorstelbaar ook dat zijn kabinet de macht aan 1600 Pennsylvanië overneemt en tijdelijk aan vicepresident Pence overdraagt. Mijn grammetje macabere sympathie voor Donald J. Trump, for crying out loud en dit is echt de allerlaatste keer dat ik hem bij naam noem, is verworden tot een sadistisch vergenoegen. Stap voor stap naar de uitgang, richting hel der ontkenning tot de dood hem bevrijdt. Good riddance.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Wie zijn deze mannen naast mijn vader Paul?

Tijdje terug ben ik op zoek gegaan naar de oorlogsjaren van mijn vader Paul. Ik had maar één foto, en één naam. Inmiddels ben ik een paar onthullende stappen verder, en focus ik mijn zoektocht op dit vijftal. Wie herkent deze mannen?

Tweede van rechts is mijn vader Paul Overdiek. Hij was amper 20 jaar oud toen hij naar Duitsland werd gestuurd om dwangarbeid te verrichten. Zijn vriend Gust van Hest zie je rechts op de foto. Dankzij zijn kinderen heb ik meer informatie over de oorlogsjaren.

Ze arriveerden op 16 juli 1943 in Krefeld. Hier werkten ze voor de Duitse Edelstahl Werke. De man links op de foto heet Jan Perrij. De foto is gemaakt voor de barakken van hun kamp, precies een jaar na aankomst. Wie herkent de andere twee mannen? De jongen met het gitaartje ziet er heel jong uit.

Ik ben op meer namen gestuit, met name uit de regio Tilburg: Jan Reijnen, Jan de Rooij, Jef van de Schoorl, Ruud Pfeifer, Ad van Engelen, Piet Verhagen, Leo Pallandt, Theo Smulders, Piet Stokkermans, Jos Lenen, Sjef Wilborts, twee broers Van de Nateris.

Wie heeft er informatie over deze jonge mannen die hun oorlogsjaren in dwangarbeid hebben doorgebracht? Waarschijnlijk leven ze niet meer, maar hun kinderen nog wel. Voor hen, voor mij en voor de generatie die vaak op zwijgende slachtoffers van de Arbeitseinsatz stuitte, ben ik deze speurtocht begonnen.

Ik hoor graag: Tim.Overdiek@gmail.com.

Meer achtergronden over mijn persoonlijke zoektocht zijn hier te vinden:

Op zoek naar mijn vader Paul, de dwangarbeider

Dank voor het meedenken en meespeuren.

Drie (en meer) kijktips over mannenrouw

Maak popcorn, nestel je op de bank, pak je afstandsbediening voor een traan gevolgd door een lach. Mijn drie kijktips voor mannenrouw in beeld. Een documentaire, een animatie en een speelfilm. Wat zijn jouw favoriete films over mannenrouw?

Tip 1: Ik rouw van jou, gemaakt door Nellie Benner. Zij is 28 jaar als haar moeder na een kort ziekbed overlijdt. De actrice gaat vijf jaar later op zoek naar… ja, naar wat eigenlijk? Hoe je moet rouwen, hoe rouw onder jongeren soms een taboe is, hoe ongemakkelijk je omgeving zich voelt. Wat moet je nou met een rouwend mens?

Hier kun je de docu terugkijken: Ik rouw van jou

Ik ben onder de indruk van de mannen in deze documentaire. Natuurlijk, als man ben ik een beetje bevooroordeeld en ik heb een mannenpraktijk (waar vrouwen ook welkom zijn). Maar het ontroert me hoe een jonge bokser probeert het goede van zijn vijf maanden eerder overleden moeder in zijn gehavende leven over te nemen. Hij neemt een positief besluit.

Zo typerend ook hoe vader Gerrit met dochter Nellie reconstrueert hoe onmachtig hij zich voelde na het overlijden. Dan zag hij Nellie naar boven verdwijnen en met rode oogjes weer beneden komen. Ik zal maar niet vragen hoe het met je gaat, dacht hij toen. De vader zweeg. Waren we maar eerder de confrontatie met ons verdriet aangegaan, zegt hij. Een prachtig inzicht.

Tip 2: If anything happens I love you, geschreven door Will McCormack en Michael Govier. Een twaalf minuten durende animatie van Younghran Nho over het onbeschrijfelijke verdriet van ouders na de gewelddadige dood van hun dochtertje. Hoe kun je elkaar immers niet kwijtraken na zo’n onmetelijk verlies? Onmogelijk.

Mooi om te zien hoe de vader en moeder op eigen wijze met hun gezamenlijk verlies omgaan. De vrouw die wil praten, de man die dat niet kan. Ook hier de mannelijke onmacht die het aflegt tegen het vrouwelijke vermogen om verdriet te tonen en te willen delen.

If anything happens I love you is te zien op Netflix

Tip 3: Manchester by the Sea, een aangrijpende speelfilm over een man (die naar zijn geboortestadje terugkeert om de zoon van zijn overleden broer bij te staan. Het is een ondraaglijke opdracht, omdat hij eerder al met een groot verlies geconfronteerd is geweest. Pure onmacht plus compexe rouw, ik zou er mijn handen aan vol hebben.

In deze film is er geen Hollywood-einde. Dat maakt Manchester by the Sea zo bijzonder liefdevol en hartverscheurend. Wie wil weten hoe mannen soms simpelweg niet kunnen rouwen, moet deze film zien. Bekijk hem via de bekende videokanalen, en luister hier naar een gesprek dat ik met Floortje Smit voor het Ketelhuis had over mannen en verlies:

Ketelhuis Podcast: Scènes voor een huwelijk, met Tim Overdiek

Heb jij kijktips die gaan over mannen en rouw? Laat ze hieronder achter in de comments.

Lezerstips: After Life (Ricky Gervais), Evelyn (Orlando von Einsiedel)

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Joost over Emma, Jason over Amy

Yes, we hebben er weer twee! Mannen die over rouw schrijven. Joost Prinsen is ermee bezig. Jason Rosenthal heeft het gedaan. Sorry dat ik zo enthousiast klink, want hun vrouwen zijn gestorven, maar driewerf hoera voor hun schrijverij.

In Op1 vertelde Prinsen over het (over)leven na het overlijden van Emma. Ze waren vijftig jaar samen. Begin dit jaar stierf ze. Prinsen, die ik in mijn jeugd leerde kennen als Erik Engerd, schreef er kort nadien over in het Haarlems Dagblad:

‘Ik zal de wachtkamerpraat tot een minimum beperken. Haar darmen raakten verstopt, een operatie werd onvermijdelijk. Maar er was in die regio al veel gesneden en ze had de intensive care al zo vaak vanbinnen gezien. Mijn vrouw beschouwde de dood als een welkome vriend.’

Snijden tot op het bot, zo noem ik de woorden die Prinsen vindt voor de onverdraaglijke pijn. In The New York Times kondigde Amy Krouse Rosenthal op 3 maart 2017 haar eigen dood aan:

‘Want to hear a sick joke? A husband and wife walk into the emergeny room in the late evening on Sept. 5, 2015. A few hours and tests later, the doctor clarifies that the unusual pain the wife is feeling on her right side isn’t the no-biggie appendicitis they suspected but rather ovarian cancer.’

Kortom, weer zo’n gevalletje ‘komt een vrouw bij de dokter’. De man lijdt mee en vindt, in al zijn onmacht, een eigen(wijze) manier van stilstaan, terugkijken, verder leven en opnieuw leren genieten. Met vallen en opstaan.

Weduwnaar Rosenthal ging aan de slag met zijn verhaal, dat was begonnen met Amy’s oproep om in ieder geval weer de liefde aan te gaan. In haar essay ‘You may want to marry my husband’ prijst ze de vader van hun drie kinderen alvast liefdevol aan.

Van postume contactadvertentie naar een meeslepend boek over het leven na haar dood. Rosenthal benadrukt dat het geen droevig verhaal is. ‘Je wentelen in humorloos zelfbeklag’, nee juist niet. Jason doet een (geslaagde) poging om te beschrijven hoe je ondanks zo’n groot verlies toch de veerkracht vindt om het leven weer op te pakken.

Natuurlijk resoneren hun verhalen bij mij. In mijn dagboek Tranen van liefde beschrijf ik het eerste jaar na de plotse dood van mijn geliefde Jennifer, die op haar 41ste door een verkeersongeluk om het leven kwam. Ik bleef achter met mijn twee zoontjes, toen 9 en 12 jaar. Frappant detail, ook Prinsen verloor net als ik heel vroeg zijn vader.

In Op1 vertelde hij over de bizarre situaties waarin hij zich dit jaar terugvindt. Het opsturen van Emma’s overlijdensakte om een simpel abonnement te kunnen stopzetten. De enige man zijn in een rouwgroepje waarin weduwes hun opluchting niet onder stoelen of banken steken. En seks niet te vergeten, ook zo’n fysieke ervaring. ‘Vrij man’ zijn na een halve eeuw.

Dus kom maar op met die boeken. Mannen in de rouw hebben ze nodig. Genoeg leesvoer voor en door vrouwen, wat voor mij in 2010 aanleiding was om mijn intieme dagboek te publiceren. Jason Rosenthals boek is nu in het Nederlands verschenen: Leven, liefde, verlies en een nieuw begin (Pepper Books).

Belangrijk, want de pijn om het verlies is hetzelfde maar mannen doen het vaak toch anders. Elk ‘mannenboek’ is welkom, ook voor vrouwen die de man en zijn (soms onzichtbare) verdriet willen leren doorgronden. Hieronder vind je een lijstje in willekeurige volgorde. Leestips? Laat maar achter in de comments.

Tims favorieten: Tonio (A.F.Th. van der Heijden), Alles lijkt zoals het was (Frits Spits), Tranen van Liefde (Tim Overdiek), Leven, liefde, verlies en een nieuw begin (Jason Rosenthal), Komt een vrouw bij de dokter (Kluun), Schaduwkind (P.F. Thomése), The Group (Rosenstein & Yopp), As in tas (Jelle Brandt Corstius), De logica van geluk (Mo Gawdat), Man o Man (Nathan Vos), Het boek Job (Roek Lips), About Alice (Calvin Trillin), Nu ik je zie (Merlijn Kamerling)

Tips van lezers: Nooit meer zaterdag (Michel Boerebach, Rob Pietersen), Het einde van de eenzaamheid (Benedict Wells), Verdriet is het ding met veren (Max Porter), Mijn moeder, steeds dichterbij (Leo Fijen, Manu Keirse), Uit de tijd vallen (David Grossman), Vingerafdruk van Verdriet (Manu Keirse), Als de man verliest (Tim Overdiek, Wim van Lent), Levels of Life (Julian Barnes), Finding Joy (Gary Scribbler), Carrièrepatiënt (Martijn van Duivenboden), When Breath Becomes Air (Paul Kalanithi), Rouw op je dak (Jos Brink), De complete weduwnaar (Klaas ten Holt), When breath becomes air (Paul Kalahniti)

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Op zoek naar mijn vader Paul, de dwangarbeider

Een foto met wel duizend vragen. Mijn vader Paul Overdiek in een groep van zestien mannen. Keurig gekleed, lachend. Achter die façade van ogenschijnlijke zorgeloosheid toont een hek de werkelijkheid: Paul is dwangarbeider in een Duits kamp.

Ik weet niks. Hooguit flarden van die tijd, ergens in de jaren veertig. Essen is weleens genoemd door mijn broers. Twee jaar zou hij er hebben gezeten. Hij was opgesloten geweest in een bunker waar hij niet rechtop kon staan. Dat trauma zag je soms terug in zijn angst bij het naderen van de Duitse grens. Praten erover deed hij niet.

Ik wil er nu alles over weten. Hoe was het daar? Wat moest hij doen? Wie waren die andere mannen, jongens vaak nog. Mijn vader Paul was een jaar of twintig, de leeftijd van mijn jongens nu. Hoe is hij vertrokken van Oisterwijk naar Duitsland? Hoe is hij teruggekeerd? Had hij zich verzet? Of was hij zonder verzet die kant opgegaan?

Waar te beginnen? Er is slechts een handjevol mensen die me nog wat over hem en die tijd kunnen vertellen. Een achterneef, mijn moeder, oudere broers. Meer niet. Tenzij ik erachter kom wie zijn kampgenoten waren. Leeft er nog iemand? Mijn vader stierf in 1978, en met hem al die verhalen. Er was een vriend, Gust van Hest uit Tilburg.

Ik ga de komende tijd op zoek naar het verhaal van Paul, de dwangarbeider. Nieuwsgierig ben ik naar de man uit de oorlogsjaren. En met hem naar de verhalen van lotgenoten van de Arbeitseinsatz. Veel aandacht is er in Nederland voor verzetsstrijders, slachtoffers van vernietigingskampen en jappenkampen, NSB-kinderen. Dwangarbeiders lijken een vergeten groep.

Ik heb hulp nodig. Dus doe ik een beroep op jullie. Waar moet ik beginnen? Wat zijn handige lijntjes voor mijn onderzoek? Wie heeft gouden tips? Nog beter, wie herkent de mannen op deze foto? Geen idee wat het oplevert, maar ik ga de puzzelstukjes verzamelen, erover schrijven, een podcast maken misschien, en wie weet vloeit er een boek uit voort.

Tips? Laat ze hieronder achter, of stuur me een mail: tim.overdiek@gmail.com

En toen stak ze haar hand uit

Ik ben een brave jongen, maar wel eentje met gezond verstand. Regels volg ik keurig op, tenzij het echt nergens op slaat. Dus heb ik op enig moment iemand uit de risicogroep… Nou ja, dat komt later.

Eerst de vrijdagavond. Naar de film. La Vérité met mijn lief, in Rialto waar vijftien stelletjes verspreid in de zaal zaten. Wat hadden we te doen met het oudere paar dat als laatste binnenkwam en helemaal vooraan moest zitten met zoveel lege stoelen achter zich. Omdat wij hand in hand achteraan zaten, mochten we de zaal als eerste verlaten.

Het was nog licht na de vroege avondvoorstelling. Drankje doen? Iets te fris voor een terras. Pech bij diverse etablissementen waar alle tafeltjes bezet waren. Zonder reservering maar met een glimlach dan maar binnenschuifelen bij een volkskroeg waar de kastelein ons aan het hoekje van de bar liet staan. Niet verder vertellen, okay?

Een overweldigende ervaring, na ruim drie maanden vertier in eigen huis en ontspanning op afstand in het park. De muziek stond (te) hard, mensen spraken (te) luid. Het bier smaakte goed, maar ik bleef met grote ogen om me heen kijken. Ik was simpelweg vergeten hoe het was. Echt op mijn gemak voelde ik me (nog) niet.

Zeker toen een vaste klant met veel omhaal binnenviel. De grapjurk gaf elke klant een elleboog en omhelsde vervolgens de kastelein. Ik voelde me wat ongemakkelijk worden. Maar het bier smaakte goed. Andere bezoekers verlieten hun tafeltje, vlak achter ons ontstond een reünie. Oude tijden herleefden in het nieuwe normaal.

Nog maar even niet. We slenterden door een leeg Sarphatipark. Stilte, natuur, stadgenoten in hun eigen bubbeltje. Dat voelde vertrouwd.

Waar maakte ik me eigenlijk druk om? In maart heb ik nota bene corona gehad, bevestigde een test op antistoffen in mijn bloed eerder in de week. Goed nieuws, dus als brave jongen hoef ik er alleen maar voor te zorgen dat ik mijn handen was, afstand hou en bij voorkeur geen al te drukke plekken opzoek. Het biertje was er nu nog eentje te veel.

Deze herwonnen vrijheid in het uitgaansleven gaf me zaterdagmiddag een licht schuldgevoel op weg naar mijn moeder. Ze is 88 jaar, kerngezond en zit sinds half maart opgesloten in haar verzorgingshuis Sint Jozefoord in Nuland. Niets dan lof voor de zorgvuldigheid en toewijding van het personeel. Maar mijn hemel, wat is het zwaar voor haar.

We belden elke dag. Begin mei opende het Praathuys waar we twintig minuten konden kletsen met plexiglas als beschermende tussenlaag. Nu mag één vaste bezoeker twee keer per week een uurtje op bezoek. Dat ben ik. De regels volg ik braaf. Handen ontsmetten, mondkapje voor en anderhalve meter afstand. Gemakkelijk te doen voor ons gezond verstand.

Deze zaterdag was ik er voor de vierde keer. We gingen een ommetje maken in de bosrijke tuin. Even frisse lucht, een vrij gevoel ondanks het onverbiddelijke hek waar alleen ik en niet zij doorheen mag. Op een bankje genoten we even van de gezamenlijke stilte. Het uur was om. Ik sprong op, zij ook, iets te snel. Ze wankelde. En toen stak ze haar hand uit.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Verlies op verlies, en toch bleef Marc de Hond lachen

Ik hoorde over zijn dood en moest van schrik even gaan zitten. Zelf zou Marc de Hond onmiddellijk het volgende grapje hebben gemaakt: ‘Ik zou bij het nieuws van mijn eigen dood liever zijn gaan staan. Maar ja, die rolstoel, hè.’

Marc de Hond in gesprek met Sylvana Simons tijdens zijn theatertour Voortschrijdend inzicht (Hoorn, januari 2020)

Oneerbiedig? Ja. Maar Marc had vast iets veel en veel grappigers bedacht, gevolgd door een stilte om te kijken of de ongemakkelijke humor aansloeg. Als ik aan Marc denk, moet ik lachen. Hij had een geweldige humor. Ook met de dood wist hij wel raad.

‘De beste grappen hoor ik op begrafenissen’, kopte ik boven het gesprek dat ik met Marc voerde voor ons boek Als de man verliest. ‘Humor ten koste van jezelf werkt geweldig en dan ook nog eens vanuit het jodendom, helemaal om met nare dingen om te gaan. Dat zat in mijn opa en oma. Opa vertelde mopjes, maar oma was echt grappig. Dat zagen we tijdens de honderd dagen die zij nog leefde nadat haar man was overleden.’

In het boek, dat ik samen met Wim van Lent schreef, gaat het over verlies en de manier waarop mannen daar (anders dan vrouwen) mee omgaan. De stapel tegenslag was groot in de 42 jaar dat Marc de Hond heeft geleefd. Hij verloor zijn moeder op 3-jarige leeftijd, kwam door een dwarslaesie in een rolstoel, en raakte internet-miljoenen kwijt.

Het grootste verlies in zijn ogen was de vechtscheiding van zijn vader Maurice en zijn tweede moeder, en de vroege dood van zijn halfbroertje. In 2018 kreeg hij blaaskanker. ‘Mensen zeggen, blijf positief want dat ben je’, vertelde hij me. ‘Dat klopt, maar de begraafplaats ligt vol met positieve mensen. Ik ben dus ook realistisch.’

Vanuit dat realisme ging hij de afgelopen tijd in een versnelling. De theatertour werd een veelzijdig marathon-interview waarin hij over het leven sprak. Hij trouwde met Remona, moeder van hun kleine kinderen Livia en James. Elke aflevering werd opgenomen. Een tastbare nalatenschap, want van zijn eigen moeder Jasmin die dertig jaar oud werd, kon hij zich weinig herinneren.

Marc de Hond met Falko Zandstra en moderator Roland Koopman bij de boekpresentatie van Als de man verliest

‘Ik weet niet meer hoe zij als moeder voor mij was’, vertelt Marc in Als de man verliest. ‘Dat is te lang geleden. Dat zij is gestorven, vond ik vooral zielig voor haar, niet per se voor mij. Er is een bandopname, waarop me wordt verteld dat mama weg zou gaan. Dan vraag ik, kan ik niet met haar mee? Nee, dat kan niet. Op mijn dertiende heb ik dat teruggeluisterd en toen vond ik het vooral verdrietig voor haar. Niet voor mij.’

Als man, die als kind zijn vader verloor en later zijn partner, heb ik grenzeloze bewondering voor de manier waarop Marc de Hond met alle tegenslag is omgegaan en vol in het leven heeft gestaan (of gezeten). Respect ook voor de manier waarop hij zijn wortels eerde. Livia’s tweede naam is Jasmin, naar zijn moeder. James’ tweede naam is Lion, naar zijn overleden broertje.

Marc zelf is vernoemd naar de broer van zijn opa, die voor de oorlog was getrouwd met zijn oma. Mark de Hond stierf in Auschwitz, net als de eerste vrouw van opa Sam. ‘Een grote familie, allemaal dood. Mijn opa en oma zijn vrijwel alleen teruggekomen en met elkaar verder gegaan. Het feit dat zij geen verbitterde, maar juist optimistische en warme mensen waren, is het grote voorbeeld geweest in mijn leven.’

Tijdens ons gesprek belde vader Maurice een paar keer. Telkens werd hij weggedrukt. ‘Hij belt de hele dag door.’ Ook dat is nu verloren. Wrange troost wellicht, maar toch, de laatste woorden van Marc voor Maurice: ‘Ik zie de humor in mijn vader. De beste grappen heb ik gehoord op begrafenissen. Niks is bijzonderder dan met mijn vader en broertje in een volgauto te zitten. Dan kun je echt lachen.’

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34