Monthly Archive April 2020

Weg wil ik, vooral weg van mezelf

Ik keek omhoog en zag het ding. The plane! The plane! Alsof het een buitenaards verschijnsel was, terwijl ik onder de rook van Schiphol woon. Nou ja, rook. De lucht is blauw, geen streep te bekennen. Het zeldzame vliegtuig maakte me sentimenteel.

Het was zo’n typisch corona-momentje. Een kleine gebeurtenis die je heel vluchtig met de neus op de feiten drukt. Het besef dat we in een uitzonderlijke tijd leven, die ooit wel weer als voltooid verleden tijd in de geschiedenisboekjes zal verdwijnen. Voorlopig hinkelen we door het leven, op anderhalve meter afstand.

Een greep uit de nieuwe alledaagsheid. Kletsen met de buurvrouw op twee uiteinden van een bankje op het plein, allebei met onze eigen thee. Facetimen met mijn oude moeder en blijven lachen als de verbinding er door haperende wifi elke dertig seconden uitklapt. Vriendelijk lachen naar onbekenden. Klusjes bedenken, en niet doen. Ontploffen om niets.

Het vliegtuig dat op pakweg anderhalve kilometer hoogte mijn aandacht trok, maakte me sentimenteel omdat ik me realiseerde dat er van verre reizen dit jaar niks meer terecht zal komen. Begin deze maand kreeg ik voor mijn verjaardag een wereldkaart waarop ik met vlaggetjes kan aanduiden welke landen ik allemaal heb bezocht. Het zijn er veel.

In een oogopslag kan ik zien waar ik nog naartoe wil. Zuid-Amerika is maagdelijk wit, en in Azië voorzie ik ooit een mooie rondreis. Australië staat hoog op het verlanglijstje. China tot voor kort ook, maar er zijn steeds meer redenen te bedenken om dat land op een zwarte lijst te zetten. Amerika ken ik van haver tot gort, nu zou ik er niet willen zijn. Zelfs en vooral niet in mijn geliefde New York City.

Lekker weg in eigen land, later deze zomer. Ik heb me ermee verzoend, maar eigenlijk wil ik dat niet. Niet omdat er geen mooie plekjes te vinden. Nee, ik wil niet op vakantie in Nederland omdat er zoveel Nederlanders zijn die zich allemaal wijs gaan maken dat het best fijn is om eens een keertje binnen de landsgrenzen te blijven. Die wil ik helemaal niet tegenkomen.

Ik wil weg. Heel ver weg. Naar een land waar je geen kaaskop op anderhalve kilometer herkent. Waar je je vreemd voelt, beetje angstig misschien omdat je wordt aangestaard. Ik wil me onderdompelen in een onbekende cultuur, met raar eten dat hartstikke lekker smaakt. Ik wil vooral weg, ver weg van mezelf. Want ik ben mezelf behoorlijk beu.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

De rode vod voor een Parool-vriend

Dobbel is een van zijn bijnamen. RobDob, Roberto, Robbel Dobbel. Ik durf Rob een vriend te noemen, ook al heb ik hem nooit ontmoet. Samen met twintig oud-collega’s van Het Parool juichen we voor hem in de laatste kilometer van zijn leven.

Wat is er gebeurd? Begin februari kreeg ik een mail van Henk. Of ik zin had in een reünie met voormalige sportverslaggevers van Het Parool. Jazeker! De leukste krant waar ik ooit voor gewerkt heb, van 1989 tot medio 1992. Ik voelde me meteen weer het Brabandertje dat aan de Wibautstraat leerde een grote bek op te zetten.

Dat was nodig, om je staande te houden op de sportredactie van de Amsterdamse verzetskrant van weleer. Keihard werken, altijd in het weekend en maandagochtend vol trots de sportkrant van de deurmat plukken. Ik leerde er schrijven, buffelen, lachen (en heimelijk huilen). Een reünie met deze legendarische club? Fuck yeah!

Het liep wat anders. De samenkomst werd begin april afgeblazen. Te veel oudjes bijeen voor een kroketje en sterke verhalen waren een iets te makkelijke snack voor het oprukkende virus. Dus gingen we vrolijk en veilig verder met het delen van herinneringen in een WhatsApp-groep, waar vooral de bejaarde oud-collega’s van voor mijn tijd het hoogste woord begonnen te voeren.

Een beetje opa vertelt, maar dan in het anabolen-kwadraat. Geruchten en roddels, primeurs en diepgravende journalistiek, ziedende Ajax-voorzitters en wielerploegleiders, schrijfmachines die naar verslaggevers werden gesmeten, het behendig omzeilen van dopingcontroles, maar vooral getuigenissen van de kameraadschap. De collegiale vriendschap is tijdloos. Het is een dierbare verrijking in mijn quarantaine-leven.

Velen van ons hebben elkaar al jaren niet gezien. Soms op boekpresentaties, want menig gepensioneerd sportverslaggever blijft schrijven over de Tour van toen of de renner van ooit. Er zitten twee, misschien drie vrouwen in de appgroep. Die houden zich gedeisd, want de mannetjes maken de meeste herrie. Toch kijken wie het verst kan pissen, op hogere leeftijd is dat een fikse klus.

Dagelijks stuurt Henk een herinnering die een collega heeft opgeschreven. Daar komen dan de meest kolderieke reacties op, correcties soms ook omdat het geheugen steken laat vallen. Als de verzameling verhalen tijdelijk is opgedroogd, volgt een foto van een historische krantenkop. Dat brengt de jongens weer aan de gang. Weet je nog…

‘Het Parool verslaat alles’, luidt een trefzekere reclameslogan van lang geleden. Cees heeft ‘m bedacht. Ajacieden Wim Kieft en Frank Rijkaard gingen met de krant op de foto. Het kostte de krant kennelijk niet meer dan een habbekrats, want het zusje van Wim werkte bij het Parool in de kantine. Ze had ook even wat met Rijkaard. Vandaar. Goed verhaal.

Dat ellendige virus verlengt onze digitale reünie. Soms denk ik stiekem, laat een fysieke ontmoeting maar zitten. Dit is ook hartstikke leuk. Tot Henk afgelopen week een linkje plaatste naar een interview met Dobbel op de website van wielermagazine De Muur:

The life and times van Dobbel door Joost Prinsen

Hierin vertelt Rob van den Dobbelsteen over zijn roemrijke loopbaan als wielerverslaggever. Vijf keer versloeg hij de Tour de France voor Het Parool, maar zijn leven was veel meer dan je met een notitieblokje verdringen rond een hijgende renner. Geweldige belevenissen en bijna ongelofelijke avonturen van een begenadigd journalist. Mijn advies is: Léés die Muur!

Vaak moest ik schateren, maar soms viel ik stil. Dan tekende Prinsen een citaat op van Dobbel dat over zijn vorderende leeftijd en sputterende lichaam ging. Dat hij darmkanker heeft en niet lang meer heeft te leven. Dat zijn vrouw in een verzorgingshuis woont en dementeert. Dobbel vertelt het allemaal met een lach. De traan is gereserveerd voor ons, de lezers.

In de appgroep van oud-collega’s heeft hij het er zelf niet over. Sinds vorige week verblijft hij in een hospice, werd tussen neus en lippen meegedeeld. Herinneringen blijft Dobbel zelf met een moordend tempo delen, als een oude vriend die weet dat de man met de hamer door het raam loert. En er schijt aan heeft. De rode vod is nu gepasseerd. (Iemand zou appen, wie wist dat de ‘flamme rouge’ voor het eerst in 1906 in de Tour werd gebruikt?)

Net als vroeger stoempt Dobbel door in de laatste kilometer van een prachtig leven. Wij loodsen hem digitaal naar de meet door te blijven putten uit ons sportarchief. Op eigen kracht zal hij over de eindstreep fietsen, en pas dan laten wij hem gaan. Een andere groep oud-collega’s, niet langer onder ons, zal zich over Dobbel ontfermen. Wij blijven verhalen vertellen, over Dobbel en over al die andere Parool-kanjers. Vrienden voor het leven. Vrij en onverveerd.

(Update: Rob van den Dobbelsteen is maandag 20 april in Schoorl overleden.)

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Weet je nog, die allerlaatste handdruk?

Het was een zaterdagmiddag, heel lang geleden, en ik was blij om Joris te zien. Hij moest effe nadenken. Komt door mijn baard. De herkenning, onmiddellijk gevolgd door een ferme handdruk. Daarna de schrik in ons beider ogen. Oh shit, dit mag niet meer.

Een foutje, zoals Rutte na zijn persconferentie met de RIVM-man enkele dagen eerder. De premier deed het per ongeluk, of misschien wel expres vanwege het effect. Joris en ik deden het in ieder geval per abuis. We moesten nog wennen aan de nieuwe verordeningen voor lichamelijk contact. Anderhalve meter konden we nog niet automatisch inschatten.

Vanochtend kwam ik langs de plek van die allerlaatste handdruk. Dat is 25 dagen geleden. Vijf.En.Twintig, zoals ik misschien wel op een t-shirt zou willen drukken. Een ongelofelijk getal. En we moeten er nog 25, vrees ik. Ik maakte een foto. Ondanks het tijdstip, kwart over zeven, was het er druk met gezonde mensen die laverend contact vermeden.

De foto raakt me. Verdomme, ik mis het. Ik mis de handdruk. De knuffel. De boks. De zoen. De streling over iemands arm. De hand op de rug. Ik mis zelfs de kolderieke verwarring die ontstaat als je recht op iemand afloopt, elkaar in de ogen kijkt, en dan allebei een paar keer in dezelfde richting ontwijkt. We zijn nu immers allemaal professionele vermijders geworden.

Lichamelijk contact is van levensbelang. Er bestaat wetenschappelijk onderzoek over. Het geeft erkenning van je fysieke bestaan. Wie het lijf van een ander voelt, ervaart zichzelf. Je bent er. De vriendelijke glimlach, de hand op het hart en het namasté-gebaar zijn een slap surrogaat van waar we werkelijk voor op aarde zijn. Elkaar (aan)raken.

Gelukkig houd ik mijn geliefde regelmatig vast, en zij mij. Met mijn jongste zoon knuffel ik af en toe. Omdat het moet, en omdat we al 25 dagen samen in een gezonde semi-quarantaine vertoeven. Het doet me beseffen hoe zwaar het is voor mijn moeder, die in haar eentje de dagen doorkomt. En behalve voor haar ook de vele anderen die dat fysieke genot en die levensbehoefte nu even niet kennen.

Wanneer was jouw allerlaatste handdruk? Wat was het beeld erbij? Wie was het? Hoe terloops voelde dat? Kunnen we het nog wel, iemand even raken met kortstondig contact? Allemaal vragen die ik me vanochtend vroeg stelde. De antwoorden maakten me een beetje verdrietig. Toen zuchtte ik eens diep en maakte een keurig boogje om de vrouw met haar hond. We lachten vriendelijk naar elkaar.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Rouwen met de riemen die je hebt

Doodgaan is okay, we doen het allemaal. Je doet het zelf, ook dat hoort erbij. Maar onmenselijk is de gedachte dat je door corona moederziel alleen moet sterven. Dus hoe doe je dat?

Het eerste, eerlijke antwoord: geen idee. Het is behalve onmenselijk ook ondoenlijk. Met een zwaar gemoed en vol respect lees ik over verpleegkundigen die patiënten in alle eenzaamheid hun laatste adem zien uitblazen. Niemand die ook maar een hand mag vasthouden, geen familie in de buurt. Tragisch.

Deze omstandigheden kennen geen ‘silver lining’. Hier valt geen troost uit te putten. Hooguit bewondering voor de professionele én empathische wijze waarop zorgverleners van niets toch nog iets weten te maken. Ze zijn er, en ze gaan door. Onvermoeibaar, onvermurwbaar, omdat er geen andere optie is.

Hierin ligt toch ook het antwoord op die onmogelijke vraag: we zijn er, en we gaan door.

Het menselijk aanpassingsvermogen maakt dat ook mogelijk. Onze natuurlijke veerkracht stelt ons in staat om elke keer weer op te staan na fikse tegenslag. De wereld draait door, ook al zijn we als samenleving even tot stilstand gedwongen. We zijn onze zekerheden even kwijt, maar vindingrijk als we zijn weten we er toch een mouw aan te passen.

De dood vormt daar geen uitzondering op. Mijn belangrijkste advies is om er nu al een gesprek over aan te gaan. Ik sprak erover met mijn 88-jarige moeder, gezond en wel in haar hermetisch afgesloten verzorgingstehuis. Wat als? Wat als je corona krijgt, zoals een aantal medebewoners is overkomen. Wat als we elkaar niet meer mogen zien?

Het is wat het is, luidt haar opvatting. Vreselijke gedachte, en toch valt ermee te leven. We hebben onlangs haar verjaardag niet kunnen vieren, met alle kinderen en kleinkinderen, dus die houden we tegoed. Maar wat als? Dan is dat wat het is, herhaalt ze. We spreken elkaar elke dag, via de telefoon en soms via een haperende videoverbinding. Alles is gezegd, we staan echt niet met lege handen.

Zo voelt dat natuurlijk wel. Maar lege handen kunnen ook op andere manieren gevuld worden. Stel dat je iemand verliest zonder fatsoenlijk afscheid, dan zijn je handen tot mooie dingen in staat. Maak een herinnering. Schrijf een anekdote, teken een lieve gedachte, knutsel een tastbaar voorwerp, bespeel een instrument, steek een kaars aan, leg je hand op je hart als je aan hem of haar denkt.

Deel en bewaar.

Delen doe je online. Er zijn volop mogelijkheden om contact met elkaar te onderhouden. Zwaai, reik uit of raak elkaar aan met je ogen dicht. Ook virtueel is er contact mogelijk, ook al voel je geen fysieke huid op huid. Energetische verbinding via de Wifi is met de juiste intentie wel degelijk een bron van warmte en liefde. Probeer maar, er zit veel meer leven in dan je denkt.

Bewaren doe je voor later. Op enig moment kom je heus weer samen om elkaar te omhelzen, om terug te blikken op het leven van iemand die je zomaar is ontglipt. Dat is de kracht van samenzijn. Sterven op afstand, en toch dichtbij. Als je van tevoren hebt gesproken over een mogelijk eenzame dood, voelt het al minder alleen.

Met een uitgesteld ritueel rouw je met de riemen die je hebt. In dat besef is het allemaal zo onmenselijk nog niet. En best doenlijk.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Leestip: Expertisecentrum Omgaan met verlies over overlijden in tijden van corona.