Nieuws

Category Archive Nieuws

Van Edie’s Auschwitz naar ons eigen kamp

“Mijn lieve schat, je kunt ervoor kiezen om vrij te zijn”, is de slotzin uit De Keuze, die nu al dagen door mijn hoofd dendert. Twee avonden tot ver na middernacht doorlezen zijn voldoende om vrijdagochtend goed voorbereid in Zeist aan te schuiven voor een ochtendje met de Ballerina uit Auschwitz.

Edith Eger (links) danst nog steeds

Edith Eva Eger is 91 jaar oud. Ze heeft er al vele levens opzitten, maar is nog altijd een kwieke jongedame. Dansend komt ze het podium op, en drie uur later dartelt de Hongaars-Amerikaanse psychotherapeut de toekomst in. Ze leeft bij de dag, want de ochtendzon zou ze weleens voor het laatst hebben gezien. “Dus maak er wat van.”

Edie’s motto: “Wat er in je leven ook gebeurt, je hebt altijd de keuze: Draag ik het verleden met me mee of kan ik vergeven als gift aan mezelf en daarmee werkelijk vrij zijn?” Dat is een glorieuze uitspraak voor iemand die eind 1944 naar Auschwitz werd afgevoerd en bij aankomst Josef Mengele haar moeder en vader naar de gaskamer zag sturen.

Korte tijd later kwam Mengele de vrouwenbarak binnen en moest het meisje Edith voor de kampbeul dansen. Het leverde haar die afgrijselijk tedere bijnaam op, de Ballerina uit Auschwitz. Ze wist met zus Magda te overleven, dag na dag door te geloven dat ze haar vriendje Eric ooit weer zou zien (maar die een dag voor de bevrijding stierf), en gleed rakelings langs de dood terug het leven in.

Met diepe bewondering luister ik naar haar. Het is officieel een masterclass die ze hier geeft, maar educatieve stempels verschrompelen bij de simpele wijsheid die ze de zaal inwerpt. “Weet hoe je na je dood herinnerd wilt worden. Grijp terug op je jongste ik en hervind je onschuld. Je kunt niet helen wat je niet kunt voelen.”

De grootse vrouw, verpakt in een klein mensje, verkneukelt zich met de anekdote dat haar kleindochter een ballerina werd op school. “Daarmee hebben drie generaties Eger wraak genomen op Adolf Hitler”, lacht ze. En meer serieus: “Ik had te doen met de Duitse bewakers. Ook zij waren ooit in onschuld geboren.” En dan zegt ze: “Auschwitz was een gift voor mij.”

Mijn vader zat een paar jaar als dwangarbeider in een Duits werkkamp. Hij overleefde, maar wilde er tegen ons nooit over spreken. Tot ver in zijn leven werd hij stiknerveus als we in de buurt van de Duitse grens kwamen. Oorlogstrauma, was de simpele diagnose. Zo waren er miljoenen overlevers die ervoor kozen om er niet over te praten. Want dan bestond het niet, ook al raasde het vanbinnen.

Zo bleef je overleven, en hetzelfde gold lange tijd voor Edith Eger. Decennia later kwam ze tot het inzicht dat het op die manier niet werkt in het leven. Je kunt je pijn niet ontlopen. Je kunt niet doen alsof het er niet is. Je moet erlangs, elke keer weer, om vrij van angst, woede en andere negatieve gedachten en gevoelens te kunnen leven. Niet overleven, maar leven. Echt leven.

Kort na de dood van mijn vrouw troostte een collega mij met woorden die ik op dat moment volstrekt ongepast vond. “Mijn moeder verloor haar complete familie in de holocaust”, begon ze. “Zij zou nu tegen jou zeggen dat jij je eigen oorlog hebt te overleven.” Ik begreep er niks van, totdat ik De Keuze las en Edith Eger in Zeist soortgelijke woorden over zichzelf en daarmee over alle mensen met verlies sprak.

Daar hoort ook vergeving bij, vertelt Eger. “Maar geen vergeving zonder eerst de razernij te hebben gevoeld.” Het hervinden van levenslust geldt voor iedereen die ooit een groot of klein trauma heeft meegemaakt. Wat op deze 4 mei een hoopvolle gedachte kan zijn voor wie stilstaat bij geleden verlies. “Je kunt ervoor kiezen om vrij te zijn, lieve schat.”

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Pa’s stem uit het dodenrijk

Vandaag is Pa’s dag. Mijn vader Paul werd 96 jaar geleden geboren. Hij was enig kind, stierf in 1978 en liet vijf jongens met hun (stief)moeder achter. Ik zoek 41 jaar later naar zijn stem.

Ergens op zolder ligt namelijk een cassettebandje. Daarop staat geschreven: Pa trompet. Een opname van pa die trompet speelt. Ook zingt-ie tussendoor. Nou ja, zingen; hij neuriet mee met de jazz. Beetje scatten, zoals zijn grote idool Louis Armstrong op magistrale wijze deed. Pa kon er weinig van.

Als ik op school zat, pakte hij mijn trompet en leerde zichzelf spelen. Toeteren in de breedste zin van het woord. Ik herinner me dat-ie ook daar weinig van kon. Pa speelde vooral hard, gebruikte veel te veel lucht en speeksel. Maar tof vond ik het wel. Dat had die ouwe toch maar mooi geflikt.

Ik moest doodernstige muziekoefeningen instuderen voor harmonieorkest Asterius in Oisterwijk, terwijl hij zich op de overloop lekker kon uitleven met Satchmo (Armstrong), The King of Swing (Benny Goodman) en Glenn Miller. Ouwe knakkers op vinyl met wie mijn pa bevlogen meespeelde.

Het bewijs staat op dat cassettebandje, en ik kan het niet vinden. Verdomme – Sorry, Jezus, het is ook jouw dag vandaag. Ik wil mijn pa via zijn stem en embouchure efkes tot leven wekken. Ergens tussen de zooi van kerstspullen, dagboeken, persaccreditaties (NBA All Star Game, yessir) en gedateerde belastingaangiftes ligt hij begraven.

Jarenlang heeft het cassettebandje geduldig in mijn bureaulade liggen wachten. Ik nam het mee naar New York, Washington DC en Londen. Nooit durfde ik het af te spelen. Ik weet niet precies waarom. Het voelde wellicht een beetje luguber. Pa’s stem uit het dodenrijk, zo leek het. Het was er nooit een goed moment voor.

Kortom, ik schoof het voor me uit. Tot ik rond Pasen van 2006 met mijn oudste zoon, toen 9 jaar oud, op weg was naar Nederland. We reden op de rondweg van Antwerpen, en ik schoof het bandje in de cassettespeler. “Moet je luisteren”, zei ik. Gespannen keken we naar het dashboard. Een seconde geruis, en toen liep het bandje vast. De hemel zweeg.

De cassette verdween weer in mijn jaszak, en later in een doos op zolder. Daar staat die dus ergens, en ik krijg ‘m maar niet boven water. Wat had ik graag vandaag zijn stem gehoord. Hij was 55 jaar oud toen hij stierf, ik ben nu 54. Klinken onze stemmen hetzelfde? Speel ik nu zelf net zo belabberd de trompet?

De zoektocht gaat verder, dus dit verhaal wordt op een dag vervolgd. In ieder geval heb ik vandaag even aan je gedacht, pa Paul. Wie weet ben je nu wel aan het jammen met Louis, Benny, Glenn en met Jesus Christ, Super Star in het achtergrondkoortje. Je doet vast niet voor ze onder. Take it away!

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Man, berg je voor Sunny!

Ik bewonder Sunny Bergman. In die admiratie zit ook veel ergernis verborgen. Aan haar, maar nog meer aan mezelf. Omdat zij de vinger legt op de zere plek, waar ik telkens de onmiddellijke aanvechting heb om haar beschuldigende hand van me af te slaan.

Sunny en haar man David / VPRO Man Made

Ja, Sunny is soms best irritant. In de documentaire Man Made (hier terug te zien) schetst ze naar eigen zeggen een vriendelijk beeld van de hedendaagse man. “Een lieve documentaire, terwijl ik ook wel boosheid naar de man als maatschappelijk construct heb”, zegt ze op de VPRO-site. Zoiets irriteert mij dan.

Wees toch eens niet zo boos, ben ik dan geneigd te zeggen. “Wordt het niet eens tijd dat je als man verandert”, werpt ze een stel mannen op het voetbalveld voor de voeten. Die staan dan wat schaapachtig te kijken. Uh. Hoezo dan? Wij zijn nu eenmaal wat agressief, dat zit in ons, legt zo’n man in de kleedkamer uit.

Haar eigen man David heeft engelengeduld. Hij laat zich filmen door Sunny terwijl hij de was ophangt. Maar in de keuken verzet hij zich om te gaan afwassen als haar vragen doorgaan. Nee, lieve vrouw, zoiets geeft van mij een verkeerd beeld, zegt David. Dat tast mijn mannelijkheid aan. Go David, riep ik vanaf de bank.

Mansplaining, seksisme, discriminatie, machtsspelletjes; ja, we zijn allemaal schuldig aan de ongelijkheid tussen man en vrouw. Fout, fout, fout. Het is de hoogste tijd dat er absolute gelijkwaardigheid in de maatschappij ontstaat. Vrouwen vechten al decennia voor hun goede zaak. Veel mannen houden hun zaakjes liever zoals het was.

Eens, Sunny. De man moet veranderen. Maar van onze mannelijkheid blijf je af, Sunny.

De buurman is mijn grote held uit Man Made. Ja, zegt hij onomwonden, “ik huil regelmatig. Vind ik helemaal niet erg, want dat lucht best op.” En later, als hij van zijn dikke BMW-motor afstapt en met een biertje in de voortuin zit: “Jij zet me altijd neer als witte, machtige man die verder niks zinnigs te melden heeft omdat-ie nooit aan iemand verantwoording hoeft af te leggen. Maar dat voel ik zelf helemaal niet zo. Dat is ook niet zo… Sunny.”

Buurman trekt zijn mannelijke zwaard. “Als jij een hele sterke en onredelijke mening uit…”

Sunny: “Wat? Ik? Dat doe ik nooit.”

Gelach aan tafel. Buurman: “Ja, dan raak ik ook in een soort van paniek. Dan heb ik ook een behoefte aan controle.”

Sunny: “Maar waarom raak jij in paniek van mij?”

Buurman: “Omdat jij zo onredelijk bent. En niet realistisch in heel veel dingen. Jij denkt ook wel heel erg met je gevoel, hè. Of met je emotie.”

Sunny: “Dat vind ik een beetje een seksistische opmerking.”

Buurman: “Is dat zo?”

Waar Sunny met haar vriendinnen vaak meteen over gevoelens praat, hebben mannen (zacht uitgedrukt) daar niet altijd behoefte aan. We drinken een biertje, gaan het liefst iets doen met elkaar en schuwen daarbij het fysieke niet. Tussen de slokken bier door, als we even zitten uit te blazen, dan komt heus wel de emotie naar boven. Niet per se in woorden, wel in zo’n mannelijke grijns of klap op de schouder.

Weet je, Sunny, wij mannen zijn best onmachtig. Veel van ons hebben van onze vaders nooit geleerd om kwetsbaar te zijn. Dat laat je ook prachtig zien in je documentaire. Voorbeelden te over, en elke man moet naar Man Made kijken om daarna voor de spiegel te gaan staan. Voor Sunny kun je je als man misschien bergen, maar het is anno 2019 ook de hoogste tijd dat je als man niet wegduikt voor je gevoel.

Inderdaad, Sunny, dat moet anders. Niet omdat jij het zegt, wel omdat wij daar diep in ons best naar verlangen. Met de vinger wijzen werkt averechts. Laten we elkaar, om te beginnen, een handje helpen. Naast elkaar, niet tegenover elkaar. Vrouwen hebben de mannen nodig, mannen de vrouwen. En misschien nog wel belangrijker, mannen hebben mannen daarbij nodig.

Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Allemaal een beetje Tony uit After Life

Met spectaculaire tegenzin begon ik aan After Life. Ricky Gervais speelt een journalist die zijn vrouw verliest. Het enige dat hem van zelfmoord houdt is de liefde van en voor zijn hond. Hier had ik helemaal geen trek in.

Ik was namelijk zelf ooit een journalist. Toen ging mijn vrouw dood. En ik had op dat moment ook een hond die me in het diepste verdriet liefdevol in mijn ogen bleef kijken. In de eerste aflevering van After Life zag ik een weduwnaar die nergens meer zin in heeft en die de wereld dat met schofterige bitterheid laat weten.

Ik ergerde me kapot aan Tony. Wat een lul. Wat een slapjanus. Wat een weerstand tegen de dood. Duh, het hoort bij het leven. Bovendien, zijn Lisa was de liefde van zijn leven geweest, en had nota bene prachtige videoboodschappen voor hem achtergelaten. Dat afscheid was mij nooit vergund geweest. Gervais, ik haat je, dacht ik na de eerste aflevering.

Dat dacht ik ook na de tweede, en zelfs de derde aflevering. Ik kreeg genoeg van die verbitterde, rouw ontwijkende, emo-masochist. Ja, hij zoekt hulp bij een therapeut. Tadaa, weer zo’n irritante overeenkomst. Ik ben nu zelf therapeut. De Netflix-rouwbegeleider bakt er niks van, en dat was best grappig. Het enige moment dat ik kon lachen.

Die kleine grijns was genoeg om de resterende drie afleveringen te kijken. Ik ben een mateloze bewonderaar van Ricky Gervais. Als ik een beetje humeurig ben, laat ik me graag door zijn aanstekelijke lach in een vrolijke bui trekken. After Life deed iets heel anders met me. Als kijkende lotgenoot wilde ik Tony zo graag helpen, zoals iedereen in zijn dorp dat probeerde.

Dat het vanaf de bank niet lukte, frustreerde me mateloos. Ik betrapte me erop dat ik hem stiekem tips probeerde te geven. Een aai over de bol. Een trap tegen zijn kont. Een lief compliment, een scherpe opmerking. Maar ja, toen realiseerde ik me plotseling dat ik tegen het scherm zat te praten. En kwam het besef dat After Life simpelweg briljante televisie is.

We zijn namelijk allemaal een beetje Tony. We hebben allemaal wel een verlies geleden, en op een of andere manier herkennen we in dat rouwproces de verslagenheid, de boosheid, de verbittering, de depressie en de frustratie voordat we het leven weer een heel klein beetje beginnen op te pikken. Ricky Gervais kruipt als komiek in de huid van Pierrot. Geen lach, louter een traan.

Die traan was een seconde zichtbaar, in de laatste aflevering als Tony tegenover een fulminerende zwager laat zien hoe moeilijk hij het werkelijk heeft achter zijn masker van cynisme. Ik herkende het en vond het prachtig. Ook al ben en blijf ik stinkend jaloers op Tony dat hij een afscheidsvideo heeft van zijn gestorven vrouw. Fuck you, Tony! I love you!

Contact: Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Ben ik een zure, ouwe man?

Tim versus Rotpuber: 0-1. Zo voelt het rond het middaguur, als ik de confrontatie aanga met een tiener op zijn scooter. Ik krijg van hem een stomp op mijn borst omdat ik niet snel genoeg aan de kant ga.

Met een volle boodschappentas over de schouder verlaat ik de supermarkt. Voor de ingang een lange rij scholieren die vanwege de drukte een voor een na binnen mogen. Een moeder met twee kindjes schiet voor me langs waarna ik een oude dame met rollator passeer.

Een scooter nadert op de stoep. Bestuurder heeft oortjes in, achterop een leeftijdgenoot. Jaartje of zeventien. Ik stop, hij ook. We kijken elkaar in de ogen. “Je mag hier niet over de stoep”, zeg ik. Hij antwoordt: “Mag ik er even langs?”

“Nee”, zeg ik.

Op dit moment realiseer ik me dat in mij een potentieel zure, ouwe man schuilt die er een hobby van maakt om opgeschoten knapen op te jagen. Het type buurman dat de verdwaalde voetbal in zijn tuin kapotsnijdt. Dat wil ik niet zijn, en dat ben ik ook niet. Dit is een simpel verkeersdingetje. Hij zit fout.

“Je mag hier niet met je scooter rijden. Kijk hoe druk het is”, herhaal ik.

“Laat me er langs”, herhaalt hij.

Ik blijf staan. Drie seconden duurt de impasse. Dan stompt hij me op de borst. Zijn passagier stapt af, en ik voel me geïntimideerd. Om me heen zie ik plotseling tientallen jongeren toekijken. Een straatincident! Een duidelijk gevalletje mannelijke groepsdruk met als inzet: Wie gaat hier winnen? De vijftiger of de tiener?

Ik ben verbouwereerd over zijn vuist. Het doet geen pijn, maar de klap komt wel aan. Ik stap naar achter, hij rijdt door en parkeert zijn scooter. Ik overweeg hem achterna te lopen, het kenteken te noteren, een foto van hem te maken. Moet ik hem een dreun tegen de neus verkopen? De politie bellen?

Ik loop weg. Hier heb ik geen zin in. Het beeld van de zure, ouwe man komt op. Laat gaan, Tim, dit is de energie niet waard. Twee straten verderop voel ik dat hier niks van klopt. Ik ben geslagen, ik ben vernederd, ik ben afgeserveerd als kwetsbare burger.

“Ach, gewoon een kutpuber”, zegt mijn zoon. Is dat zo? Pas de volgende dag weet ik het antwoord. Ik had graag even met de jongen gepraat. Even elkaar begrijpen. Maar ja, de reactiesnelheid van deze ouwe man beloopt tegenwoordig een etmaal.

Contact: Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

Tranen, zo lang de voorraad strekt

Wie maakt me los, mensen? Op mijn zolder wacht een voorraadje op lezers van het boek dat ik nooit heb willen schrijven. Tranen van Liefde is sinds deze week officieel uitverkocht. Tienduizend stuks over de toonbank (maar psst, ik heb nog wat doosjes).

Het is me wat, het leven van een boek. De ontkieming van een idee, de zwangerschap van het schrijfproces, de lancering als geboorte, de oohs en aahs bij het vasthouden van ‘het kind’, de tweede, derde en vierde druk als uitbreiding van het gezin. En na een kort leven de verbanning naar de ramsj, het liefdevolle hospice van de literatuur.

Het overkwam Tranen van Liefde, mijn dagboek over het jaar na de dood van mijn vrouw Jennifer, moeder van onze twee kinderen. Het verscheen eind 2010 bij Prometheus, omdat ik ooit had gelezen dat de (net als ik Brabantse) uitgever Mai vroeg zijn moeder had verloren. Daar hoorde het boek thuis, en ik werd er warm ontvangen.

Als een strenge doch rechtvaardige vader (en ook dat ben ik) besloot baas Spijkers om de haperende vierde druk te dumpen bij opkoper Steven Sterk. Als die het niet had gewild, dan waren ruim drieduizend exemplaren door de papiervernietiger geslingerd. Ik kocht als de wiedeweerga een paar honderd van mijn kindjes terug. Met het feit ik niet langer royalty’s ontving, kon ik leven. Life sucks.

Fast forward naar eind 2017, toen ik de deuren van mijn praktijk opende en over mannen en verlies mocht praten bij Humberto Tan en in Dagblad Trouw. Tranen van Liefde ontwaakte uit een coma (het kan dus wel), en bij Ramsj.nl zagen ze hun verstoffende voorraad beetje bij beetje slinken. Afgelopen week meldde bol.com dat het boek alleen nog tweedehands verkrijgbaar is.

Ik belde met Steven Sterk. Ja, ze waren op. Dat vervulde me met trots, maar ook met een beetje droefenis. Als schrijver wil je dat je boek tot in eeuwigheid verkrijgbaar blijft. En mijn zoldermagazijn zal ook leegraken, merkte ik. De afgelopen dagen zomaar vijf bestellingen. Een tientje voor mijn gesigneerde boek, plus verzendkosten. Stuur me maar een mail met je gegevens: tim.overdiek@gmail.com.

Tranen, zolang de voorraad strekt. (En bij In de Wolken hebben ze kennelijk ook nog wat doosjes.)

Inmiddels ben ik met collega-therapeut Wim van Lent bezig aan een boek over het thema Mannen en Verlies. We interviewen bekende Nederlandse mannen over hun verliesverhaal en duiken in de materie met voorbeelden en bijbehorende uitleg. We zijn goed op streek, dus een nieuw ‘kindje’ is in de maak. Ergens in het najaar zijn we uitgeteld.

Ik vind bovendien vast wel een manier om ook Tranen van Liefde nieuw leven in te blazen. Het was door de dood van mijn geliefde misschien een ongewenste bevruchting. Het weerspannige leven van dit boek maakte me door de vele reacties in de voorbije jaren ook duidelijk dat rouw door mannen zijn eigen wegen kent. Een levensles waar ik dankbaar voor ben.

Contact: Tim.Overdiek@gmail.com / 06 23 27 55 34

The show must go on?

Het was een fraai staaltje van ‘je vermannen’. FC Emmen-doelman Kjell Scherpen (20) sloot zondag zijn ogen tijdens de minuut stilte voor zijn broer Jorg (19). Die was de dinsdag ervoor overleden na een coma van bijna een maand. Spelen of niet spelen was geen dilemma. Kjell zou spelen.

Het deed me denken aan John Kennedy jr. Op zijn derde verjaardag ontroerde deze dreumes de wereld door te salueren naar de bevlagde kist met zijn vermoorde vader. Meteen na de begrafenis van de Amerikaanse president vervolgde moeder Jackie met de voorbereidingen op het verjaarspartijtje dat tien dagen later gewoon doorgang vond. The show must go on. Het leven ook.

Zo ook in Emmen. Met een mengeling van ongeloof en diepe bewondering zag ik de eredivisie-keeper het moment van stilte ondergaan. Peter Middendorp schreef er prachtig over in De Volkskrant: “Niemand kuchte, niemand schraapte zijn keel, er bewoog geen voet of vinger, er werd nauwelijks ademgehaald.”

Dat FC Emmen kansloos met 0-3 ten onder ging tegen Vitesse, waarbij doelman Scherpen geen beste indruk maakte, was ondergeschikt aan de persoonlijke tragedie. Hier golden andere wetten, ook in het betaald voetbal. Had hij beter niet kunnen spelen? Had iemand hem tegen zichzelf in bescherming moeten nemen?

Dit is geen stukje om Kjell Scherpen de maat te nemen. Integendeel, net als die duizenden mensen in stadion De Oude Meerdijk gooi ook ik mijn arm om die 2,04 meter lange keeper heen. Man, wat knap van je. Wat een grootse daad om na de dood van Jorg elke dag te komen trainen en ook op de wedstrijddag onder de lat te gaan staan.

The show must go on? Echt waar?

Op de afscheidsdienst voor Jorg, die een dag later in hetzelfde stadion plaatsvond, liet Kjell weten dat hij zijn broer “heeft beloofd er alles aan te doen om de top te halen”. Met andere woorden, op een moment dat de dood er alles doet om het leven uit je lijf te zuigen, sta je op en pers je er nieuwe kracht uit. Al is het maar voor twee keer 45 minuten en wat blessuretijd.

Op de avond dat mijn vader overleed, stond ik als dertienjarige knul voor de vorm wat Franse woordjes uit mijn hoofd te leren. De volgende ochtend had ik immers een proefwerk. Een oom kwam me vertellen dat ik niet naar school hoefde. Stiekem had ik wel willen gaan, om te laten zien aan mijn dode vader dat het zonder hem ook wel lukte.

Enkele dagen na de dood van zijn moeder fietste mijn oudste zoon naar school om zelf te vertellen aan zijn klasgenootjes wat er was gebeurd. Mijn stoere knul gaf een heuse persconferentie en beantwoordde allerlei vragen die leeftijdgenootjes hadden. Ik stond erbij en keek ernaar, innerlijk verscheurd door de vraag ‘waarom, waarom?’

Hoe doen we dat toch? Is het de roes van adrenaline die ons voortstuwt in tijden van acute stress? Maken we onszelf wijs dat ‘onze overleden geliefde dit gewild zou hebben’? Is het pure overleving? Ons krijgen ze er niet onder, no fucking way. Natuurlijk stond Kjell onder de lat, terwijl het even vanzelfsprekend was geweest wanneer hij zich had afgemeld.

Meer dan weer een riedeltje

Als ik goed naar mezelf luister, dan hoor ik toch weer iets nieuws in mijn al zo vaak vertelde verhaal. Vooral in de zwijgzame momenten van het gesprek. Om door te kunnen, ook negen jaar later, moet je soms even stilstaan, al is het maar een paar seconden.

Eigenlijk had ik helemaal geen zin in De Kist, het tv-programma van de EO waarin de presentator in een klein Fiatje met een doodskist op het dak je straat komt binnenrijden voor een fijn gesprek over de zin van leven en dood. Al drie keer eerder had ik nee gezegd. Mij te luguber, die kist in huis.

Stelletje vrolijke volhouders, daar bij de EO. Het lijken wel zaterdagse Jehova-getuigen. Afgelopen najaar belde Jikke, oud-collega van de NOS en tijdelijk werkzaam bij de redactie van De Kist. Probeer jij het nog maar eens, hadden ze vast tegen haar gezegd. Wie weet? Omdat mijn beide jongens het nest waren uitgevlogen, dacht ik: waarom ook niet?

Dus mocht de kist mee naar binnen, de trap op, het hoekje om naar de woonkamer en zat ik tegenover Kefah Allush met om me heen drie camera’s, een zootje lampen en buiten beeld een achthoofdige crew. Een intiem gesprek, en dat was het. Van man tot man spraken we over de liefde, de dood, vaderschap, mannelijkheid, mijn werk als therapeut.

Klik hier om de uitzending terug te kijken:

Klik hier om de uitzending te bekijken

Ik zeg vaker nee dan ja tegen interview-aanvragen. Het is goed om te waken voor het uitwringen van je verliesverhaal. Het moet niet weer een riedeltje worden. Op het moment dat je jezelf gekunsteld of te ingestudeerd hoort praten over de meest intieme details van het leven, moet je wegwezen. Dan is het ‘niet echt’ meer. Dan wordt het een trucje.

De waarlijke kunst van het interviewen kent Kefah Allush als de beste. Hij zette me aan het denken over dingen waarvan ik dacht dat ik ze allang had doordacht. Hij deed dat vanuit betrokkenheid, vanuit verwondering. Precies wat ik als therapeut met mijn cliënten probeer te doen. Het gaat om de ontmoeting. Daaruit ontstaat verbinding.

Kefah, bedankt voor een mooie ontmoeting.

Ik ontdekte meer over mezelf. Hoe ik denk over de hemel. Die bestaat niet, maar er is wel “een andere kant”. Of ik een andere vader was geworden? “Liever was ik een betere partner geweest.” Welke rol de dood in mijn leven had. “Als je de dood ontkent, ontken je het leven.” Over mijn dood. “Elke dag denk ik er wel even aan.”

Het gesprek in De Kist verwerd daarmee een innerlijke scherprechter. Klopte het wel wat ik zei? Dacht ik een tijdje terug niet heel iets anders? Waar haal ik die wijsheid vandaan? Allemaal vragen die gesteld moeten blijven worden. En die elke keer een nieuw inzicht mogen opleveren.

Het leven draait om blijven ontdekken, blijven leren, je blijven ontwikkelen, blijven ontmoeten, blijven verbinden. Wie het definitief denkt te weten, is eigenlijk al een beetje gestorven. En zeg nou zelf, wie heeft daar nou zin in?

Leven na een dodelijk ongeval, hoe doe jij dat?

Ik koester mijn woede. Soms zoek ik hem zelfs even op, twee straten verderop. Dan ben ik op de plek waar mijn vrouw is doodgereden, en voel ik meteen; ja ik ben nog steeds laaiend. Hartstikke laaiend.

Het levert allemaal niks op, en kost alleen maar energie. Maar soms is het gewoon even nodig, om stil te staan bij het zebrapad waar Jennifer tegen het asfalt werd gekwakt en nooit meer zou opstaan. Om de waanzin van de dood even te doorvoelen. Dat is dan de winst.

Daarna ga ik weer verder mijn leven. Vrolijk verder zelfs. En begrijp me niet verkeerd, de verantwoordelijke man die de 41-jarige moeder van onze kinderen uit het leven rukte hebben we allang geleden vergeven. We wensen hem het beste toe. Echt waar.

Toch komt de boosheid over het ongeluk bij vlagen om de hoek kijken. Heel eventjes maar, en realiseer ik me hoe diep de wonden zijn geslagen bij mij als nabestaande. Uiteenlopend van kleine steken tot irritant gekriebel. Als ik het weer voel, meestal op de meest onverwachte momenten, weet ik; verzorg de wond, Tim.

Het begon weer te jeuken toen ik deze week meedeed aan een grootschalig onderzoek naar de gevolgen voor nabestaanden van dodelijke verkeersongevallen. De universiteiten van Groningen en Utrecht en Stichting Centrum ’45 gaan de komende drie jaar bekijken hoe de hulp voor rouwende nabestaanden beter kan worden afgestemd.

Hier vind je meer info en kun je meedoen: Rouw na Verkeersongeval

Als lotgenoot en therapeut met verlies als specialisme ben ik gevraagd voor de begeleidingscommissie van de onderzoekers. Ruim negen jaar na onze persoonlijke tragedie kan ik er tamelijk afstandelijk en inhoudelijk over praten. Toch blijf je ook na al die tijd een gepijnigd slachtoffer. De naweeën blijven altijd met me meereizen.

Dat maakt het onderzoek zo belangrijk. Rouw is individueel en gebeurt op eigen tempo, dat weten we. Dat predik ik ook in mijn praktijk. Neem de tijd en doe het op je eigen manier – ik loop eventjes met je mee. De vragenlijst laat je stap voor stap nagaan in hoeverre je in je huidige leven nog last hebt van het ongeluk, ook al was je er niet zelf bij betrokken.

Voor mij was het een graadmeter. Tot mijn opluchting stelde ik vast dat ik het heel aardig doe. Geen hinderlijke onderbrekingen van mijn dagelijks leven. Ja, heel af en toe dus de boosheid die als een duveltje uit een doosje schiet. Sluipmoordenaars noem ik ze, altijd bereid om op een ongewenst tijdstip hoi te komen zeggen.

Hoe doe jij dat? Hoe ga jij om met de gevolgen van een verkeersongeluk waarbij een geliefde om het leven is gekomen? Ik hoor het graag, in de comments hieronder. De onderzoekers ook, dus doe de zelf-check op rouwnaverkeersongeval.nl, waarmee je toekomstige lotgenoten een steuntje in de rug zult geven.

Tranen? Ben je besodemieterd!

“Geef mij eens zo’n snuifding”, commandeert de man. Hij wijst naar de zakdoekjes, die in een hoek van mijn praktijk onopvallend staan te zijn. Grijnzend geef ik het ‘snuifding’ aan mijn betraande cliënt. Zo doen we dat hier.

Als je me vraagt wat het verschil is tussen mannelijke en vrouwelijke cliënten, dan heb ik aan één woord voldoende: zakdoekjes. Bij vrouwen zet ik ze klaar, bij mannen houd ik ze achter de hand. Tranen zijn van harte welkom, begrijp me niet verkeerd, maar het is voor mannen toch best een dingetje.

Een andere cliënt beet me eens pissig toe dat ik “erop uit was om hem aan het huilen te maken”. Zijn tranen kwamen op het moment dat hij zich in een familie-opstelling plotseling realiseerde hoezeer hij ten diepste verlangde naar zijn afwezige vader. Dat was een openbaring, vond hij, maar dat gejank erbij was niet de bedoeling.

Verman je. Wees sterk. Echte mannen huilen niet. Tranen zijn een uiting van zwakte. We kennen ze wel, die traditionele opvattingen van mannelijkheid. Wat er ook gebeurt, je laat niks merken. Sla desnoods van je af, sta je mannetje, toon je kloten. Kortom, wees een echte vent.

Gelukkig is het 2019, tijd voor de toekomst, en dus kopt De Standaard deze week: Wees een vent, en huil.

De Belgische krant plaatst die oproep op basis van een nieuwe richtlijn van de American Psychological Association (APA). Na veertig jaar onderzoek onder psychologen en hun mannelijke patiënten is de conclusie helder. “Traditionele mannelijkheid, gekenmerkt door stoïcisme, competitiviteit, dominantie en agressie, is schadelijk.”

Als je opgevoed bent met de overtuiging dat het gevaarlijk is om je kwetsbaar op te stellen, dan ben je sneller geneigd om mentale problemen te negeren of te ontkennen. Hulp vragen is dan moeilijk. Hoe zwaarder de tegenslag, vooral bij ingrijpend verlies, hoe groter het isolement. Om die reden pleegt de man ook vaker suïcide dan de vrouw.

Soms zie ik de tranen niet. Dan vertelt een mannelijke cliënt met een geruststellende glimlach op zijn gezicht over de enorme worsteling die hij doormaakt. Er gaat pas een belletje rinkelen als hij maar blijft praten. En glimlachen. En praten. En glimlachen. Op enig moment valt hij stil, en dan zeg ik niks. Heel venijnig is dan mijn zwijgen.

In die stilte gebeuren meestal de mooiste dingen.

Daarna loop ik onopvallend naar het hoekje van mijn praktijkruimte en zet ik het doosje ‘met van die snuifdingen’ naast de man op de vensterbank. Ook dan blijven de zakdoekjes niet zelden ongebruikt. Ik zie het door de vingers. Een echte vent gebruikt zijn mouw.

Volkskrant / Peter de Wit